19 januari 2026

Geen vakantiedagenopbouw bij slapend dienstverband?

De afgelopen periode is veel discussie ontstaan over de vraag of een arbeidsongeschikte werknemer vakantiedagen blijft opbouwen in de fase waarin de loonbetaling is gestopt, maar het dienstverband nog voortduurt.

De kantonrechter in Arnhem oordeelde onlangs dat er ook sprake is van opbouw van vakantiedagen gedurende het slapende dienstverband, oftewel gedurende de periode dat er geen recht meer op loon bestaat. De kantonrechter in Groningen oordeelde echter recentelijk het tegenovergestelde.

Wat speelde er?

Een werknemer maakte onder verwijzing naar de eerdere uitspraak van de kantonrechter Arnhem aanspraak op betaling van vakantiedagen vanaf 104 weken arbeidsongeschiktheid, namelijk vanaf 8 november 2023 tot einde dienstverband op 30 april 2025. Het ging om een totaal van 238,35 niet genoten vakantie-uren. De werkgever ging hier niet in mee. Hij verwees naar de wet waarbij het recht op vakantie is gekoppeld aan het recht op loon.

Wat oordeelde deze rechter?

Deze kantonrechter oordeelde dat bij een slapend dienstverband geen vakantiedagen worden opgebouwd over de periode dat het recht op loon is beëindigd. Hij verwees daarbij naar artikel 7 lid 1 van de Arbeidstijdenrichtlijn waarin gesproken wordt over behoud van loon. Bij een slapend dienstverband is er echter geen sprake meer van behoud van loon.

Het doel van vakantie is om een werknemer in staat te stellen uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken en om over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken. Het veronderstelt dat de werknemer een activiteit heeft uitgevoerd die het nemen van een periode van rust, ontspanning en vrije tijd rechtvaardigt om de door de Arbeidstijdenrichtlijn beoogde bescherming van zijn veiligheid en gezondheid te waarborgen. Gedurende de wachttijd is het uitgangspunt dat de werknemer weer aan het werk gaat. Dan past de gelijkstelling van de arbeidsongeschikte werknemer met de werknemer die daadwerkelijk heeft gewerkt.

Het slapend dienstverband

Bij een slapend dienstverband is duidelijk dat deze re-integratie niet is bewerkstelligd en ligt een aanvraag voor een WIA-uitkering in de rede. Bij een slapend dienstverband is de werkgever immers bevoegd om het dienstverband op te zeggen.

De door het Europese Hof van Justitie geformuleerde doelen (bijkomen door rust, ontspanning en vrije tijd) kunnen bij een slapend dienstverband niet meer worden behaald. Bovendien gaan de werkgever en werknemer er ook niet meer van uit dat de werknemer in de organisatie weer aan het werk zal gaan, zodat de door de Arbeidstijdenrichtlijn beoogde bescherming van de veiligheid en gezondheid van de werknemer niet op die wijze geborgd hoeft te worden. Tot slot valt een werknemer na de wachttijd vaak terug op een socialezekerheidsuitkering, welke uitkering in beginsel tijdens vakantie doorloopt, zodat op die wijze ook voorzien wordt in vakantie met behoud van uitkering.

Uitspraak Hoge Raad?

Gelet op de tegenstrijdige uitspraken door de verschillende rechtbanken zou het wenselijk zijn als hierover door de Hoge Raad – eventueel in het kader van te stellen prejudiciële vragen – duidelijkheid zou worden gegeven.

Speciaal voor jou

UITGELICHT

Hybride werken 2026
Welke opties hebben werkgevers en werknemers om flexibel en locatie-onafhankelijk te werken? En wat zijn de gevolgen daarvan voor de reiskostenvergoeding, de thuiswerkvergoeding en bijvoorbeeld de arbo­voorzieningen? Op welke manier kun je hybride werken fiscaal zo gunstig mogelijk vormgeven? Kortom: welke regelgeving is van toepassing op je als werkgever en op je medewerkers?
Lees verder
arrow right
Tijdelijke verlenging beslistermijn WIA roept juridische vragen op
Het UWV heeft bekendgemaakt dat het vanaf januari 2026 tijdelijk de beslistermijn verlengt voor werknemers die een WIA-uitkering of een herbeoordeling aanvragen. De termijn wordt daarbij verdubbeld van acht naar zestien weken.
Lees verder
arrow right
Recht op uren na weigering vast urenomvang bij oproepkrachten
Als een oproepkracht herhaaldelijk een aanbod voor een vaste urenomvang afwijst, rijst de vraag of er alsnog recht ontstaat op de uren die op het zogenoemde ‘vastklikmoment’ hadden moeten worden aangeboden.

Een casus.
Lees verder
arrow right