Per 2026 wijzigen opnieuw enkele belangrijke fiscale normbedragen. Zo stijgt het normbedrag voor het gebruikelijk loon van de dga en wordt ook de maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding verhoogd. Hieronder lees je wat deze aanpassingen concreet betekenen, waar je op moet letten bij de vaststelling van het gebruikelijk loon en welke ruimte er in 2026 geldt voor vrijwilligersvergoedingen.
Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 2.000 hoger dan het normbedrag in 2025 en bedraagt € 58.000 per jaar. Bij het vaststellen van de hoogte van het gebruikelijk loon voor een dga en zijn meewerkende partner moet uitgegaan worden van het hoogste van de volgende bedragen:
Is het loon dat hieruit volgt hoger dan het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking? Dan mag je het gebruikelijk loon vaststellen op dat loon. De discussie met de Belastingdienst hierbij zal met name gaan over de vraag of het door jou gestelde loon inderdaad het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is.
Werken er meer dga’s bij de bv of daarmee verbonden vennootschappen, houd er dan rekening mee dat een andere dga ook kan worden aangemerkt als meestverdienende werknemer.
Werkt de dga en/of zijn meewerkende partner in deeltijd? En kun je voldoende aannemelijk maken dat de dienstbetrekking in deeltijd wordt uitgevoerd? Dan kun je op het fulltimeloon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of het fulltimeloon van de meest verdienende werknemer het deeltijdpercentage toepassen voor de vaststelling van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking of het loon van de meest verdienende werknemer. Je moet dan wel ook voldoende aannemelijk maken dat dit deeltijdloon ook voor de meest vergelijkbare deeltijddienstbetrekking en/of de meest verdienende in deeltijd werkende werknemer zou gelden. Dit deeltijdpercentage kun je overigens niet toepassen op het bedrag van € 58.000.
In sommige situaties kun je uitgaan van een nog lager loon. Zo kunnen startende ondernemingen, onder voorwaarden, maximaal drie jaar van een lager loon uitgaan als de bv het gebruikelijk loon niet kan betalen door het opstarten van de onderneming. Ook als je onderneming zo veel verlies lijdt dat de continuïteit van je onderneming in gevaar komt, kun je, onder voorwaarden, van een lager loon uitgaan.
Als het gebruikelijk loon bepaald is, kan het reguliere loon soms lager worden vastgesteld. Naast dit reguliere loon in geld tellen namelijk ook andere looncomponenten mee voor de beoordeling of het loon gebruikelijk is. Denk hierbij aan:
De Hoge Raad heeft op 4 april 2025 geoordeeld dat ook een eindheffingsbestanddeel tot het loonbegrip hoort, ook als dit eindheffingsbestanddeel gericht vrijgesteld is of in de vrije ruimte van de werkkostenregeling valt. Als de wetgever voor een bepaalde regeling geen aparte definitie in de wet heeft opgenomen van het loonbegrip, is dit gelijk aan wat volgens de wet valt onder loon, aldus de Hoge Raad. Voor het gebruikelijk loon is ook geen aparte definitie van het loon in de wet opgenomen. Dit betekent dat alle gericht vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen en alle vergoedingen en verstrekkingen die binnen de vrije ruimte worden ondergebracht, meetellen voor de berekening van het gebruikelijk loon. In de praktijk werd dit vaak al zo toegepast voor zover het ging om individualiseerbaar loon.
De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is in 2026 € 100 hoger dan in 2025 en bedraagt € 2.200 per jaar. Ook de vergoeding per maand is in 2026 hoger dan in 2025 en bedraagt maximaal € 220 (2025: € 210).
De vrijwilligersvergoeding moet binnen de maximale bedragen blijven en de vrijwilliger moet de werkzaamheden niet bij wijze van beroep verrichten voor aangewezen, niet-commerciële organisaties. De Belastingdienst gaat ervan uit dat de werkzaamheden niet bij wijze van beroep worden verricht als de maximumuurvergoeding in 2026 € 5,75 bedraagt (in 2025 was dit nog € 5,60). Voor vrijwilligers jonger dan 21 jaar bedraagt deze maximumuurvergoeding in 2026 € 3,40 (in 2025 € 3,30).