In 2026 en 2027 zijn er voor werkgevers opnieuw diverse subsidies en tegemoetkomingen beschikbaar om investeren in personeel, innovatie en inclusiviteit te stimuleren. Van praktijkleren en scholing tot loonkostenvoordelen, WBSO en nieuwe regelingen voor start-ups en mkb: hieronder vind je een overzicht van de belangrijkste regelingen, voorwaarden en aandachtspunten.
De Subsidieregeling praktijkleren is een tegemoetkoming voor de kosten die werkgevers maken voor loon of begeleidingskosten van een leerling, student, promovendus of technologisch ontwerper in opleiding (toio). Het doel van de regeling is goed opgeleid personeel dat beter voorbereid is op de arbeidsmarkt.
De Subsidieregeling praktijkleren is beschikbaar voor het vmbo, mbo, hbo, promovendi en toio’s, praktijkonderwijs en VSO. Per onderwijscategorie gelden andere voorwaarden. Het is belangrijk dat je voldoet aan deze voorwaarden en de administratie die daarbij hoort. De voorwaarden voor de verschillende onderwijscategorieën vind je hier.
De Subsidieregeling praktijkleren richt zich vooral op:
Als je in aanmerking komt voor de Subsidieregeling praktijkleren, dan bedraagt deze maximaal € 2.700 per gerealiseerde praktijk- of werkleerplaats. Houd er rekening mee dat dit bedrag lager kan zijn. De definitieve subsidie is namelijk afhankelijk van het aantal goedgekeurde aanvragen.
De Subsidieregeling praktijkleren is in 2023 verlengd tot en met studiejaar 2027/2028. Een aanvraag voor het studiejaar 2025/2026 is in 2026 weer mogelijk vanaf dinsdag 2 juni 2026 tot donderdag 17 september 2026 17.00 uur.
Voor praktijkleerplaatsen van mbo-studenten die een opleiding volgen die bijdraagt aan klimaat- en energietransitie, is voor het studiejaar 2025/2026 extra subsidie beschikbaar van maximaal € 500 per praktijkleerplaats. De opleidingen die in aanmerking komen voor deze subsidie zijn opgenomen in bijlage 4 van de subsidieregeling praktijkleren. Het aanvragen van deze subsidie is onderdeel van het reguliere aanvraagproces van de subsidieregeling praktijkleren.
Ook in 2026 is een aanvraag voor de Subsidieregeling praktijkleren in de derde leerweg waarschijnlijk weer mogelijk. De aanvraagperiode voor 2026 is nog niet bekend. In 2025 was de aanvraagperiode van maandag 3 november 2025 9.00 uur tot vrijdag 28 november 2025 17.00 uur.
Voorwaarden subsidie
Om voor de subsidie in aanmerking te komen, moet een erkend leerbedrijf een praktijkplaats verzorgen voor een mbo-student in de derde leerweg (overig onderwijs (ovo) of overige opleidingen in deeltijd (odt)). De student moet een werkzoekende zijn of betaalde arbeid verrichten en tijdens de aanvraagperiode staan ingeschreven in het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) van DUO.
Studenten die in aanmerking komen voor ondersteuning bij arbeidsinschakeling op grond van de Participatiewet, worden ook aangemerkt als werkzoekenden.
Opleiding
De opleiding die de student volgt, moet gericht zijn op het behalen van een volledig diploma, een certificaat of een praktijkverklaring. De opleiding moet opgenomen zijn in het Centraal register beroepsopleidingen (Crebo). Verder moet de student de opleiding op of na 1 augustus 2023 zijn gestart.
Omvang subsidie
De subsidie bedraagt maximaal € 2.700 per praktijkplaats. Zijn er meer aanvragen dan het beschikbare budget, dan wordt het budget verdeeld over de aanvragen. Hierdoor kan de subsidie lager zijn dan € 2.700 per praktijkplaats. Het beschikbare budget voor 2026 is nog niet bekend.
Het erkende leerbedrijf moet de subsidie aanvragen binnen een jaar na afloop van de praktijkleerplaats. De subsidie wordt maximaal verstrekt over een periode van 52 aaneengesloten weken, waarvan er maximaal 40 voor subsidie in aanmerking komen.
Deze subsidie is niet voor mbo-studenten in de beroepsopleidende leerweg (bol) en beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Voor deze studenten kan de werkgever mogelijk wel in aanmerking komen voor de Subsidieregeling praktijkleren voor het mbo.
Meer informatie over de subsidie en de voorwaarden is opgenomen op de website van RVO.nl.
Kinderopvangorganisaties kunnen ook in 2026 weer subsidie aanvragen voor een praktijk(leer)plaats voor doorontwikkeling van groepshulpen. De aanvraagperiode loopt van 2 november 2026 9.00 uur tot en met 27 november 2026 17.00 uur. Het beschikbare budget in 2026 bedraagt € 1.775.000. De subsidie biedt een tegemoetkoming in de loonkosten van groepshulpen en is aan te vragen bij RVO.nl. Het doel is dat door de subsidie meer groepshulpen worden aangenomen en dat zij kunnen doorgroeien in de kinderopvang.
In de nieuwe cao Kinderopvang 2025 heet een groepshulp voortaan groepsondersteuner. De wijziging in naamgeving heeft geen invloed op de aan te vragen subsidie. Je kunt voor de groepsondersteuner dan ook een beroep doen op de subsidie.
De subsidie bedraagt maximaal € 10.056 per jaar per groepshulp en is afhankelijk van het aantal contracturen dat de groepshulp per week werkt. Een organisatie kan in de aanvraagtijdvakken in 2025 en 2026 voor maximaal tien groepshulpen subsidie aanvragen. In het aanvraagtijdvak in 2024 was dat nog voor maximaal twee groepshulpen.
De subsidie kent een aantal voorwaarden. Zo moet een groepshulp een arbeidsovereenkomst van ten minste twaalf maanden hebben met een startdatum vanaf 1 augustus 2023 of later. Ook moet de groepshulp deelnemen aan scholing via praktijkleren in het mbo (mbo-bbl of mbo-derde leerweg (OVO/ODT) niveau 1 of 2). Deze scholing moet tussen 1 augustus 2023 en 31 oktober 2026 zijn gestart. Verder is vereist dat de kinderopvangorganisatie voor de groepshulp eerder ook subsidie heeft gekregen via de Subsidieregeling praktijkleren of praktijkleren in de derde leerweg.
Als je een aanvraag voor de Subsidieregeling praktijkleren of praktijkleren in de derde leerweg hebt gedaan voor een groepshulp, vraag dan ook altijd de subsidie voor groepshulpen in de kinderopvang aan. Als je wacht totdat de beslissing op je aanvraag op de subsidie praktijkleren (in de derde leerweg) is genomen, ben je waarschijnlijk te laat om nog de subsidie voor groepshulpen in de kinderopvang aan te vragen.
Er ligt een plan om een fiscale regeling te introduceren om de toegang tot talentvolle werknemers voor start-ups en scale-ups te verbeteren. De bedoeling is dat door een nieuwe fiscale regeling voor aandelenopties, medewerkersparticipatie wordt bevorderd en daarmee start-ups succesvoller kunnen doorgroeien naar scale-ups.
Belastingkorting aandelenopties
Het voorstel is om een belastingkorting in de loonbelasting te introduceren voor voordelen uit aandelenopties voor werknemers van start-ups en scale-ups. De belastingkorting wordt vormgegeven door de grondslag van de voordelen uit aandelenopties te beperken tot 65%, zodat over een lager voordeel belasting wordt geheven. Het doel is om het effectieve tarief ongeveer gelijk te laten zijn aan de belastingheffing over aandelenopties in box 2.
Uitstel belastingheffing aandelenopties
Het voorstel is om ook het moment van belastingheffing uit te stellen naar uiterlijk het moment waarop de aandelen – die verkregen zijn na uitoefening van de aandelenopties – worden vervreemd. Op die manier hoeft er nog geen belasting betaald te worden als er nog geen geld beschikbaar is.
Als een werknemer uit dienst treedt, zal dat geen nadelige gevolgen voor hem hebben. Ook in dat geval vindt belastingheffing pas plaats op het moment van vervreemding van de aandelen.
Definitie start-up en scale-up
In de wet wordt, mede ten behoeve van het nieuwe box 3-stelsel (voorzien vanaf 2028), een definitie van een start-up of scale-up opgenomen:
Beschikking
RVO is straks verantwoordelijk voor de vaststelling of een onderneming voldoet aan de definitie van een start-up of scale-up en geeft daarvoor dan een beschikking af. Het is de bedoeling dat die beschikking een geldigheidsduur heeft van acht jaar. Deze beschikking kan dan met periodes van vijf jaar verlengd worden als dan nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan.
Als de geldigheidsduur van de beschikking afloopt en de aandelenopties nog niet zijn uitgeoefend of de aandelen nog niet vervreemd, houdt de werknemer het voordeel voor de periode dat de beschikking geldig was. Vervreemdt een werknemer de aandelen na tien jaar en was de beschikking geldig gedurende acht jaar daarvan, dan geldt de grondslagversmalling tot 65% voor 80% (8/10) van het totale belastbare voordeel.
Vanaf 2027?
Het doel is om de regeling met ingang van 2027 in werking te laten treden. De regeling wordt uitgewerkt in een wetsvoorstel dat, na een internetconsultatie in waarschijnlijk januari 2026, in het eerste kwartaal van 2026 wordt aangeboden aan de Tweede Kamer.
De regeling kent een terugwerkende kracht tot 17 april 2025. Dit is het moment waarop de regeling in de Voorjaarsnota 2025 bekend is gemaakt. De terugwerkende kracht houdt in dat de nieuwe regeling van toepassing zal zijn op alle aandelenopties die door start- en scale-ups zijn uitgegeven sinds 17 april 2025. Voorwaarde is wel dat voor deze aandelenopties nog geen afrekening in de loonheffingensfeer heeft plaatsgevonden.
Met ingang van 1 januari 2025 werd de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) voor werkgevers al verruimd. Ook in 2026 geldt een verruiming: de eerste schijf van de WBSO is in 2026 eenmalig geïndexeerd met 2,9% en loopt nu door tot € 391.020.
Onder de WBSO kun je als werkgever een fiscale tegemoetkoming krijgen voor de loonkosten die gemoeid zijn bij Research & Development. Heb je recht op WBSO, dan verreken je de toegekende tegemoetkoming met de af te dragen loonheffing. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de kosten van Research & Development.
De Tweede Kamer heeft de regering verzocht om een oplossing uit te werken voor de verzilveringsproblematiek in de WBSO. Start- en scale-ups kunnen de WBSO namelijk vaak niet volledig verzilveren, omdat hun loonsom in de beginfase te laag is. De Tweede Kamer stelt hierbij een carry-forwardmogelijkheid voor.
De verhoging van de eerste schijf betekent het volgende:
| Tarief/grens | 2025 | 2026 |
Tarief 1e schijf | 36% | 36% |
| Tarief 1e schijf starters | 50% | 50% |
| Grens 1e schijf | € 380.000 | € 391.200 |
| Tarief 2e schijf | 16% | 16% |
De Tweede Kamer heeft ook een verzoek bij de ministeries van EZK en Financiën neergelegd om in het Belastingplan 2027 een voorstel te doen om de schijfgrens structureel te indexeren.
De SLIM-regeling (de Stimuleringsregeling Leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen) kan je helpen personeel gemotiveerd én gekwalificeerd te houden. Slim-subsidie is mogelijk voor:
De SLIM-subsidie is verlengd tot en met 2029 en kent in 2026 twee regelingen: voor individuele mkb-ondernemingen en voor samenwerkingsverbanden in het mkb.
Slim-regeling individuele mkb-ondernemingen
Zowel kleine als middelgrote ondernemingen kunnen een beroep doen op deze regeling. Het subsidiepercentage bedraagt vanaf 2025 voor alle ondernemingen 60%. Per aanvraag kan maximaal € 25.000 subsidie worden aangevraagd. Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000.
Voor SLIM-subsidies tot € 25.000 hoeft achteraf geen verzoek tot vaststelling te worden ingediend. Deze subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. Ook gelden hiervoor geen verplichtingen tot het maken van een evaluatieverslag en het bijhouden van een administratie.
Er wordt een voorschot betaald van 50% van het subsidiebedrag.
Voor de SLIM-regeling voor mkb-ondernemingen zijn in 2026 waarschijnlijk weer twee aanvraagtijdvakken. Deze zijn nog niet bekend, maar zullen vermoedelijk in maart 2026 en september 2026 zijn. Ook de budgetten voor 2026 zijn nog niet bekend. Voor mkb-ondernemingen was in 2025 zowel in het eerste als tweede aanvraagtijdvak € 12,5 miljoen budget beschikbaar.
Slim-regeling samenwerkingsverbanden
Een samenwerkingsverband moet uit minimaal twee mkb-ondernemingen bestaan. Het subsidiepercentage bedraagt 60% van de subsidiabele kosten. Per aanvraag kan maximaal € 500.000 subsidie worden aangevraagd (maximaal € 200.000 per samenwerkingspartner). Voor landbouwbedrijven bedraagt dit maximum € 20.000, voor visserijbedrijven € 30.000 en voor goederenvervoer over de weg € 100.000. De subsidiabele kosten moeten minimaal € 210.000 bedragen.
Samenwerkingsverbanden kunnen een voorschot krijgen van 25% van het verleende subsidiebedrag. Als het initiatief langer dan twaalf maanden duurt, kan aanvullend nog een voorschot van 50% van het subsidiebedrag aangevraagd worden als in de eerste twaalf maanden minimaal 50% van de projectkosten gemaakt is.
Voor het opstellen van een controleverklaring door een accountant – dit is bij subsidies van € 125.000 of meer verplicht –, wordt een vaste vergoeding van € 3.000 verstrekt.
Voor samenwerkingsverbanden is in 2026 waarschijnlijk weer één aanvraagtijdvak. Dit aanvraagtijdvak is nog niet bekend, maar zal vermoedelijk in juni 2026 zijn. Ook het budget voor 2026 is nog niet bekend. Voor samenwerkingsverbanden was in 2025 € 20 miljoen budget beschikbaar.
Werkgevers kunnen in 2026 weer SLIM-scholingssubsidie aanvragen. Deze nieuwe subsidie, om nieuwe en huidige werknemers op te leiden voor een functie in een maatschappelijk cruciale sector, kon in 2025 voor het eerst aangevraagd worden. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft van 2025 tot en met 2027 € 73,8 miljoen budget beschikbaar gesteld.
Maatschappelijk cruciale sector
De subsidie is bedoeld om in- en doorstroom in maatschappelijk cruciale sectoren te stimuleren en daarmee personeelstekorten terug te dringen. Het gaat om de sectoren:
Voor wie?
De subsidie kan worden aangevraagd door werkgevers die praktijkgerichte opleidingen, dus werken en leren tegelijkertijd, aanbieden aan nieuwe of huidige werknemers. Ook geregistreerde gastouderbureaus kunnen subsidie aanvragen voor nieuwe of huidige gastouders die bij hen zijn aangesloten.
Collectieven die bestaan uit ten minste een O&O-fonds en/of een of meer werkgeversverenigingen en een of meer werknemersverzekeringen, kunnen de subsidie in 2026 waarschijnlijk ook weer aanvragen. Het aanvraagtijdvak is nog niet bekend.
Ontwikkelpaden
Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet de opleiding onderdeel uitmaken van een functie of specialisatie uit een van de Ontwikkelpaden. Deze zijn gepubliceerd op Rijksoverheid.nl.
Andere voorwaarden
Er gelden nog meer voorwaarden. Zo mag de opleiding niet al vóór 28 februari 2025 zijn ingekocht of zijn gestart en moet de opleiding uiterlijk binnen dertien weken na het aanvragen van de subsidie van start gaan. Ook mogen aan degene die opgeleid wordt geen kosten in rekening worden gebracht.
Hoogte subsidie
De hoogte van de subsidie is te vinden in de gepubliceerde Ontwikkelpaden op Rijksoverheid.nl. De hoogte is afhankelijk van het NLQF-niveau. Bij niveau 1, 2 of 3 bedraagt de subsidie 90% van de kosten voor scholing, bij niveau 4 40%.
De subsidiabele kosten zijn de in de factuur van de aanbieder vermelde kosten, voor zover dit les-, cursus-, college- of examenkosten zijn. Ook de door de opleider verplicht gestelde literatuur is subsidiabel, mits dit direct noodzakelijk is voor het volgen en afronden van de opleiding.
Aanvragen
Aanvragen kan in 2026 via het subsidieportaal Uitvoering Van Beleid in 2026, waarschijnlijk net als in 2025 gedurende twee tijdvakken. Deze tijdvakken zijn nog niet bekendgemaakt.
Meer informatie over de subsidie, de voorwaarden en het aanvragen van de subsidie vind je op de website Uitvoering Van Beleid van SZW.
De Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) is bedoeld om werkgevers te stimuleren mensen met een kwetsbare positie in dienst te nemen en te houden. In de Wtl is vanaf 2025 nog maar één instrument opgenomen: het loonkostenvoordeel (LKV). Voor bepaalde groepen werknemers die moeilijker aan werk komen, heb je ook in 2026 onder voorwaarden recht op dit loonkostenvoordeel (LKV).
Afschaffing LKV oudere werknemers
Voor dienstbetrekkingen die begonnen op of ná 1 januari 2024 is het LKV oudere werknemers per 1 januari 2026 afgeschaft. Wel vindt voor deze dienstbetrekkingen in 2026 nog uitbetaling van het LKV 2025 plaats.
Voor dienstbetrekkingen die begonnen vóór 1 januari 2024 blijft het LKV voor oudere werknemers van € 3,05 per verloond uur met een maximum van € 6.000 per kalenderjaar gewoon in stand tot het einde van de looptijd van maximaal drie jaar. In 2026 kan dus nog recht bestaan op dit LKV. Uitbetaling hiervan vindt plaats in 2027.
LKV arbeidsgehandicapte werknemers
Ga dan na of je voor een oudere werknemer in 2026 misschien recht heeft op het LKV arbeidsgehandicapte werknemer. Dit LKV wordt namelijk niet afgeschaft en bedraagt voor maximaal drie jaar € 3,05 per verloond uur, met een maximum van € 6.000 per jaar. Als je een beroep op het LKV arbeidsgehandicapte werknemer kunt doen, word je dus niet geraakt door de afschaffing van het LKV oudere werknemer. Voor het herplaatsen van een arbeidsgehandicapte werknemer bedraagt het LKV maximaal één jaar € 3,05 per verloond uur, met een maximum van € 6.000 per jaar.
LKV banenafspraak
Het LKV doelgroep banenafspraak en scholingsbelemmerden wijzigt met ingang van 2026. Het gaat om de volgende wijzigingen:
Uit de doelgroep banenafspraak zijn scholingsbelemmerden en werknemers met een indicatie beschut werk verwijderd. Vanaf 2026 bestaat voor deze doelgroepen geen recht meer op een LKV. In de volgende situatie kun je echter, voor de resterende duur van maximaal drie jaar zoals die gold tot en met 2025, nog wel het LKV doelgroep banenafspraak aanvragen:
Er komt vanaf een nog nader te bepalen ingangsdatum een soort bonusregeling. Deze houdt in dat wanneer er een extra heffing komt voor werkgevers omdat onvoldoende werknemers uit de doelgroep banenafspraak aan het werk zijn, de bedragen voor dit LKV substantieel verhoogd worden en de werkgever nog steeds een voordeel kan behalen.
Bedragen LKV 2026
Hoeveel loonkostenvoordeel je krijgt, hangt af van het aantal verloonde uren en van het soort loonkostenvoordeel. De bedragen voor 2026, die in 2027 worden uitbetaald, zijn:
| Loonkostenvoordeel | Bedrag per verloond uur | Maximumbedrag per jaar | Maximaal aantal jaren |
| Oudere werknemer die voor 2024 in dienst kwam | € 3,05 | € 6.000 | 3 |
| Arbeidsgehandicapte werknemer | € 3,05 | € 6.000 | 3 |
| Doelgroep banenafspraak | € 1,01 | € 2.000 | Geen maximum |
| Herplaatsen arbeidsbeperkte werknemer | € 3,05 | € 6.000 | 1 |
Recht op LKV bij overgang van onderneming
Bij overgang van een onderneming gaan ook de werknemers over naar een nieuwe werkgever. De Belastingdienst ging ervan uit dat het recht op een LKV in zo’n situatie nooit mee overgaat naar de nieuwe werkgever. De Hoge Raad heeft echter op 24 mei 2024 geoordeeld dat een loonkostenvoordeel (LKV) niet vervalt bij een overgang van een onderneming.
Was in jouw situatie ook sprake van overgang van een onderneming, dan blijft het recht op een LKV dus bestaan, mits aan de voorwaarden voor toepassing van het LKV is voldaan. Om in 2026 recht te hebben op het LKV, dien je in de aangifte loonheffingen 2026 het vinkje voor het LKV aan te zetten.
Het oordeel van de Hoge Raad is mogelijk ook van toepassing op contractovernames waarbij de arbeidsovereenkomst door een nieuwe werkgever ongewijzigd wordt voortgezet.
Vanaf 1 maart 2026 wijzigen de voorwaarden voor loondispensatie. Hierdoor kan een werkgever eerder loondispensatie aanvragen voor een werknemer met een Wajong- of IVA-uitkering.
Een werkgever kan vanaf 1 maart 2026 loondispensatie aanvragen voor een werknemer als:
Tot 1 maart 2026 kunnen werkgevers pas loondispensatie aanvragen als de werknemer gedurende minstens zes maanden minimaal 25% minder werk aankan dan een collega.
In de situatie tot 1 maart 2026 mag de loondispensatie maximaal vijf jaar duren. Vanaf 1 maart 2026 mag de loondispensatie maximaal twee jaar duren.
Met het instrument loondispensatie neemt het UWV tijdelijk een deel van de loonkosten van de werkgever over. Door de versoepeling van de voorwaarden wordt het voor mensen met een Wajong- of IVA-uitkering makkelijker om aan het werk te gaan en te blijven.
Voor werknemers met een arbeidsbeperking die niet in staat zijn met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, kun je onder bepaalde voorwaarden een loonkostensubsidie krijgen. Deze subsidie compenseert het verschil tussen de loonwaarde van een werknemer en het minimumloon. De maximale subsidie is 70% van het referentiemaandloon. Je kunt daarnaast ook een vergoeding voor de werkgeverslasten krijgen van 25% van de loonsom waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt.
Je dient de aanvraag voor de loonkostensubsidie in bij de gemeente waar de werknemer staat ingeschreven. De gemeente moet binnen vijf weken na vaststelling van de loonwaarde (of een beslissing dat een loonwaardemeting achterwege kan blijven) een beschikking afgeven over de aanvraag.
Aanvragen moet in beginsel vóór de start van het dienstverband of binnen één maand na de start. Voor een bepaalde doelgroep kun je ook binnen zes maanden na de start de loonkostensubsidie aanvragen. Het gaat hierbij onder meer om schoolverlaters uit het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs of de entreeopleiding mbo en om mensen die vallen onder de re-integratieverantwoordelijkheid van de gemeente.
Werkgevers in het mkb met maximaal 50 werknemers en een jaaromzet van maximaal € 50 miljoen kunnen ook in 2026 subsidie aanvragen voor inclusiviteitstechnologie. Dit is technologie die werknemers met een arbeidsbeperking ondersteunt bij het uitvoeren van hun werkzaamheden.
Welke technologieën?
Er is een lijst beschikbaar met technologieën die in aanmerking komen voor de subsidie. Een voorbeeld van deze technologie is een voorleesbril of een collaborative robot.
Werkgevers kunnen ook subsidie krijgen voor advies- en implementatiediensten met betrekking tot het gebruik van deze technologie, tot maximaal een bedrag van € 1.000.
Omvang subsidie
De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000 per aanvraag. De subsidie moet minimaal € 2.500 zijn. Het beschikbare budget bedraagt in 2026 € 1.000.000.
Tijdvak
De subsidie kan in 2026 worden aangevraagd van 5 januari 2026 9:00 uur tot en met 29 mei 2026 17:00 uur. Aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.
Activiteitenplan
In de aanvraag moet met een activiteitenplan worden aangegeven op welke activiteiten de aanvraag ziet en welk doel bereikt moet worden. Hiernaast moet duidelijk zijn of de aanvraag betrekking heeft op een persoon die al in dienst is of nog moet worden aangenomen. Ook moet worden aangegeven op welke manier de gesubsidieerde techniek de arbeidsbeperking compenseert.
Naast de hiervoor beschreven subsidies en tegemoetkomingen zijn er nog meer regelingen, bijvoorbeeld:
via een proefplaatsing een werknemer twee maanden op proef laten werken.