In dit artikel lees je een overzicht van de belangrijkste wijzigingen per 2026 op het gebied van loonbelasting, premies en heffingskortingen. De aanpassingen raken zowel werkgevers als werknemers en hebben invloed op netto-inkomens, loonkosten en administratieve verplichtingen. Wij zetten de belangrijkste punten voor je op een rij, zodat je weet waar je in de praktijk rekening mee moet houden.
Het tarief in de eerste tariefschijf daalt licht, maar het tarief in de tweede tariefschijf stijgt licht.
Daling tarief eerste tariefschijf
Het tarief van de eerste tariefschijf daalt per 1 januari 2026 van 35,82% naar 35,75%. Deze eerste tariefschijf loopt tot een inkomen van € 38.883. Deze tariefsverlaging en schijfverlenging leveren maximaal € 35 minder belasting op.
Stijging tarief tweede tariefschijf
Het tarief van de tweede tariefschijf bedraagt in 2026 37,56%. Deze schijf loopt tot een inkomen van € 78.426. Door de schijfverlenging levert dit, ondanks de lichte tariefsverhoging, maximaal € 162 minder belasting op.
Hoogste tariefschijf blijft gelijk
De hoogste tariefschijf blijft in 2026 49,50%.
Ook de heffingskortingen zijn aangepast. Hoe zien de cijfers er in 2026 uit?
Algemene heffingskorting weer iets omhoog, maar ook afbouwpercentage iets omhoog
Om te zorgen dat belastingplichtigen met een wettelijk minimumloon (WML) recht hebben op de maximale algemene heffingskorting, is het afbouwpunt van de algemene heffingskorting gekoppeld aan de hoogte van het WML. In 2026 begint dit afbouwpunt op € 29.736 (2025: € 28.406) Het afbouwpercentage is in 2026 met 6,398 % iets hoger dan in 2025 (6,337%). De maximale algemene heffingskorting is in 2026 met € 3.115 weer iets hoger dan in 2025 (€ 3.068). Vanaf de hoogste tariefschijf (in 2026 € 78.426) bedraagt de algemene heffingskorting € 0.
Arbeidskorting en afbouwpunt iets verhoogd, afbouwpercentage gelijk
De maximale arbeidskorting is in 2026 iets verhoogd naar € 5.685 (2025: € 5.599). De opbouw van de arbeidskorting vindt plaats tot een loon van € 45.592 (2025: € 43.071). Vanaf € 45.592 wordt de arbeidskorting afgebouwd met 6,51% (hetzelfde percentage als in 2025 en 2024). Vanaf een loon van € 132.920 bedraagt de arbeidskorting € 0.
Betaal je een (arbeidsongeschiktheids)uitkering aan een werknemer, dan kun je daar nu, onder voorwaarden, arbeidskorting op inhouden. Keert het UWV zo’n uitkering uit, dan kan het UWV geen rekening houden met de arbeidskorting. De Hoge Raad vond dit verschil in behandeling eind 2024 in strijd met het discriminatieverbod. Daarom is al aangekondigd dat een werkgever vanaf 2027 ook geen arbeidskorting meer mag toepassen op de uitbetaling van een (arbeidsongeschiktheids)uitkering.
Ouderenkorting stijgt licht
De maximale ouderenkorting is licht gestegen naar € 2.067 in 2026 (2025: € 2.035). Ook het afbouwpunt is licht gestegen naar € 46.002 in 2026 (2025: € 45.308). Het afbouwpercentage bedraagt – net als in 2025 en 2024 – 15%. Vanaf € 59.782 (in 2025 € 58.875) bestaat geen recht meer op de ouderenkorting. De alleenstaandeouderenkorting bedraagt in 2026 € 540 (2025: € 531).
In principe past de Sociale Verzekeringsbank (SVB) de alleenstaandeouderenkorting toe. Vanaf 2024 kun je als werkgever deze korting echter ook toepassen als je werknemer aan de voorwaarden voldoet en je daar schriftelijk om verzoekt. Dit kan bijvoorbeeld met het model Opgaaf gegevens voor de loonheffingen. Wijs je werknemer er wel op dat korting maar door één inhoudingsplichtige mag worden toegepast en dat hij toepassing van de korting bij de SVB dan moet (laten) beëindigen.
De gedifferentieerde premie voor het Algemeen Werkeloosheidsfonds (Awf) bestaat uit een hoge en lage Awf-premie. Je mag als werkgever een lage Awf-premie toepassen als aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Voldoe je daar niet aan, dan betaal je een hoge Awf-premie. De voorwaarden hebben betrekking op de arbeidsovereenkomsten van je werknemers en zijn bedoeld om vergaande flexibele contracten tegen te gaan en vaste contracten te beschermen.
De Awf-premie is in 2026 voor beide premies gelijk aan die in 2025. De lage Awf-premie bedraagt 2,74%, de hoge Awf-premie 7,74%. Het maximumpremieloon steeg de afgelopen jaren al flink (van € 66.956 in 2023, naar € 71.628 in 2024 en € 75.864 in 2025). In 2026 stijgt het maximumpremieloon nog verder, namelijk naar € 79.409. Voor werknemers met een premieloon vanaf € 75.864 kun je als werkgever in 2026 dus maximaal € 97 (bij de lage premie) en € 274 (bij de hoge premie) per werknemer meer verschuldigd zijn aan Awf-premie.
Contracturenherziening vanaf 2025
Vanaf het jaar 2025 moet een werkgever met terugwerkende kracht alsnog de hoge Awf-premie toepassen als een werknemer met een arbeidscontract van gemiddeld 30 uur of minder per week meer dan 30% meer verloonde uren dan contracturen heeft.
Behalve de herziening als de verloonde uren meer dan 30% afwijken van de contracturen, moet de lage Awf-premie ook worden herzien naar de hoge Awf-premie als een nieuwe werknemer binnen twee maanden na indiensttreding ontslag neemt of wordt ontslagen. Deze herziening is niet afhankelijk van het aantal contracturen en geldt dus bij alle contracten.
Jaarlijks draag je als werkgever sociale premies af voor de Werkhervattingskas (Whk). Het gemiddelde premiepercentage van de premiecomponent WGA stijgt van 0,83% in 2025 naar 0,96% in 2026. Het gemiddelde percentage van de premiecomponent ZW-flex stijgt van 0,50% in 2025 naar 0,56% in 2026. De stijging komt vooral door meer (jonge) langdurige zieken, als gevolg van onder meer long covid en psychische aandoeningen. Hierdoor wordt er vaker een beroep gedaan op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
De premiecomponent WGA geldt voor alle dienstbetrekkingen waarvoor premies werknemersverzekeringen moeten worden afgedragen. De premiecomponent ZW geldt alleen voor flexibele en tijdelijke dienstbetrekkingen.
Gemiddelde premieplichtig loon
De berekening van de gedifferentieerde premie Whk is afhankelijk van de grootte van je onderneming. Op basis van de loonsom in 2024 wordt bepaald in welke categorie je als werkgever in 2026 valt. De basis hiervoor is het gemiddelde premieplichtig loon. Dit bedraagt in 2025 nog € 39.600 en stijgt in 2026 naar € 43.300.
Grenzen kleine/middelgrote/grote werkgever
De grens tussen kleine en middelgrote werkgevers ligt in 2026 bij een loonsom van maximaal € 1.082.500 (in 2025 € 990.000). Bij een loonsom van meer dan € 4.330.000 is in 2026 sprake van een grote werkgever (in 2025 € 3.960.000).
Het gaat in 2026 om de loonsom van twee jaar eerder, dus 2024. Bedroeg de loonsom in 2024 maximaal € 1.082.500, dan is sprake van een kleine werkgever.
Beschikking van Belastingdienst
Je ontving, als je een grote of middelgrote werkgever bent, eind 2025 een beschikking van de Belastingdienst over de hoogte van de premie. De hoogte daarvan hangt voor grote en middelgrote werkgevers namelijk af van de instroom van werknemers in de ZW en WGA. Het is verstandig om binnen zes weken na dagtekening van de beschikking Whk pro forma bezwaar te maken, in afwachting van instroomlijsten.
Kleine werkgevers kregen in december 2025 een mededeling van de Belastingdienst. Als kleine werkgever betaal je een premie die afhankelijk is van de sector waarin je werkzaam bent. De premie is een vast percentage waartegen je niet in bezwaar kunt komen. Controleer wel altijd of de toegepaste sector nog aansluit bij de activiteiten van je onderneming.
Naast de premiepercentages voor het jaar 2026 kan ook de stijging van het maximale premieloon van invloed zijn op de hoogte van de door je af te dragen premie. Het maximale premieloon stijgt in 2026 namelijk naar € 79.409 (in 2025 nog € 75.864). Voor werknemers met een premieloontussen € 75.864 en € 79.409 kun je als werkgever daarom te maken krijgen met meer verschuldigde premie, ook als de premiepercentages ten opzichte van 2025 zijn gedaald.
Teruggaaf of naheffing gedifferentieerde premie Whk
Betaalde je in je aangifte loonheffingen te veel of te weinig premie Whk? Bijvoorbeeld omdat je als startende werkgever de gedifferentieerde premie Whk na 1 januari van de Belastingdienst ontving of omdat de Belastingdienst het premiepercentage aanpaste na een bezwaar tegen de beschikking Whk? Dan hoef je geen correctie te versturen voor de gedifferentieerde premie Whk, maar kun je via een formulier verzoeken om teruggaaf dan wel naheffing van de premie.
De premies voor de Zorgverzekeringswet (Zvw) dalen in 2026 met 0,41%-punt. Dit geldt zowel voor de premies die werkgevers voor hun personeel betalen (6,10% in 2026) als voor de premies die zelfstandigen en dga’s voor zichzelf moeten afdragen (4,85% in 2026).
De percentages vallen in 2026 voornamelijk lager uit vanwege een eenmalig voordeel in het Zorgverzekeringsfonds. Het voordeel is ontstaan doordat er in het verleden meer Zvw opgehaald is dan verwacht. Dit voordeel wordt in 2026 teruggegeven in de vorm van een daling van de percentages.
Het maximumpremieloon steeg de afgelopen jaar al flink (van € 66.956 in 2023, naar € 71.628 in 2024 en € 75.864 in 2025). In 2026 stijgt het maximumpremieloon nog verder naar € 79.409. Dankzij de daling van de percentages, daalt echter de maximale premie Zvw in 2026 ten opzichte van 2025. Zo bedraagt de maximale door een werkgever verschuldigde premie in 2025 nog € 4.938 (6,51% van € 75.864), maar daalt deze in 2026 naar € 4.843 (6,10% van € 79.409). De maximale door de verzekeringsplichtige verschuldigde premie bedraagt in 2025 nog € 3.990 (5,26% van € 75.864), maar daalt in 2026 naar € 3.851 (4,85% van € 79.409).
Als werkgever betaal je Aof-premie, een premie voor het arbeidsongeschiktheidsfonds, aan de Belastingdienst. Het UWV financiert uit dit arbeidsongeschiktheidsfonds een aantal werknemersverzekeringen, zoals de WAO en ZW-uitkeringen.
Premie te hoog?
Er klinken geluiden dat werkgevers al jarenlang te veel Aof-premie zouden betalen. Het arbeidsongeschiktheidsfonds zou gebaseerd zijn op een omslagstelsel. Een omslagstelsel houdt in dat de hoogte van de premie afhankelijk is van de verwachte uitgaven die uit het fonds gedaan moeten worden. Er zouden dan eigenlijk geen structurele overschotten in het fonds aanwezig mogen zijn, maar geschat wordt dat het arbeidsongeschiktheidsfonds eind 2025 een vermogen heeft van € 40 miljard.
Initiatief
Er is een initiatief gestart om in een collectieve actie de mogelijk te veel betaalde Aof-premie terug te vorderen van de Belastingdienst. De initiatiefnemers stellen dat ruim 20% van de betaalde Aof-premie onterecht is.
Tegengeluiden
Zowel het UWV als het Ministerie van SZW geeft aan dat de Aof-premie niet te hoog is. Uit berichtgeving van De Telegraaf volgt dat het UWV stelt dat geen sprake is van een omslagstelsel, maar dat de staat eind jaren negentig van de vorige eeuw al is overgegaan naar een ander stelsel. Een hoogleraar fiscale economie twijfelt of dit zo is, aldus De Telegraaf. De Telegraaf meldt ook dat het Ministerie van SZW aangeeft dat het arbeidsongeschiktheidsfonds ook gebruikt mag worden om andere gaten te vullen. Zo is de premie bijvoorbeeld in 2025 ook omhooggegaan om de geschrapte btw-verhoging op cultuur te dekken.
Wat nu?
Vraag is nu of het verstandig is om aan te sluiten bij dit initiatief. Dit is een afweging die je zelf moet maken. Als je daarover twijfelt, neem dan contact op met onze adviseurs, zodat je daarna een weloverwogen beslissing kunt nemen.
Weet wel dat de initiatiefnemers een bijdrage vragen voor het aansluiten bij hun initiatief. Het is dus niet kosteloos en de kans op succes is uiteraard niet gegarandeerd.
Bij een overlijden van een werknemer mag je een eenmalige uitkering of verstrekking geven. Deze is onbelast voor zover deze niet meer bedraagt dan drie keer het maandloon van de werknemer.
Een dergelijke belastingvrije uitkering mag ook aan de werknemer gegeven worden bij overlijden van zijn partner, zijn kind of pleegkind.
Wat is het maandloon?
Aan de Belastingdienst is gevraagd wat het maandloon voor deze regeling is in de volgende situatie. De werkgever kort het loon van een werknemer per 1 augustus tot 70% van zijn bruto maandloon, omdat de werknemer meer dan 52 weken ziek is. Op 15 augustus zegt de werkgever aan alle werknemers een verhoging van het bruto maandloon toe per 1 oktober. De werknemer overlijdt op 20 augustus.
1/12 van het bruto jaarloon
De Belastingdienst geeft aan dat in beginsel voor de berekening van het maandloon moet worden uitgegaan van 1/12 deel van het vaste bruto jaarloon van de werknemer. Dit omvat niet alleen het al genoten loon, maar ook het nog te genieten loon in een jaar. Om die reden moet ook rekening gehouden worden met de verlaging tot 70% van het bruto maandloon én de toegezegde maandloonverhoging per 1 oktober.
Wat hoort nog meer tot het jaarloon?
Bij de berekening van het maandloon mag je ook rekening houden met de maandelijks opgebouwde vakantiebijslag en andere vaste gegarandeerde (bijzondere) beloningen, zoals een dertiende maand. Ook de bijtelling van de auto van de zaak kun je meenemen.
Je mag geen rekening houden met tantièmes en toevallige bijzondere beloningen.
Voorbeeld
Het loon van een werknemer bedraagt tot en met juli € 4.000. Per 1 augustus beperkt de werkgever dit loon tot 70% (€ 2.800), omdat de werknemer meer dan 52 weken ziek is. Op 15 augustus zegt de werkgever aan alle werknemers een loonsverhoging toe van 5%. De werknemer overlijdt op 20 augustus.
Het jaarloon bedraagt in dit geval € 3.535 (1/12 deel van 7 x € 4.000 + 2 * € 2.800 + 3 * € 2.940). De werkgever kan dus een belastingvrije uitkering vanwege het overlijden van de werknemer geven van maximaal € 10.605 (3 x € 3.535).
In dit versimpelde voorbeeld is geen rekening gehouden met 1/12 van de vakantiebijslag in het jaar, 1/12 van een eventuele gegarandeerde dertiende maand en een eventuele bijtelling voor een auto van de zaak. In werkelijkheid zou het belastingvrije bedrag dus nog hoger kunnen zijn.
Als een werknemer bijvoorbeeld gelijktijdig meerdere dienstbetrekkingen heeft, kan het zijn dat de loonheffing die totaal wordt ingehouden bij deze dienstbetrekkingen lager is dan de werknemer bij zijn aanslag inkomstenbelasting moet betalen. Dit heeft te maken met de verschillende tariefschijven in de loon- en inkomstenbelasting, waarbij vanaf een bepaald inkomen een hoger tarief geldt (progressief tarief). De verschillende werkgevers houden geen rekening met het loon bij de andere dienstbetrekkingen, maar voor de aanslag inkomstenbelasting worden deze lonen wel bij elkaar opgeteld.
Om te zorgen dat de loonheffing meer overeenstemt met de inkomstenbelasting, kan een werknemer aan zijn werkgever vragen om meer loonheffing in te houden.
Dit kan zich ook voordoen als een werknemer meerdere pensioenen heeft, als zijn loon ten opzichte van het vorige jaar flink gestegen is of als hij bijvoorbeeld naast een pensioen ook nog werkzaamheden bij een werkgever verricht.
Alleen op verzoek/met toestemming
Het inhouden van meer loonheffing in afwijking van wat de tabellen berekenen, mag alleen op verzoek van de werknemer of met zijn toestemming.
Niet verplicht
Een werkgever is overigens niet verplicht om in te gaan op een dergelijk verzoek van een werknemer. Wil een werkgever niet meer loonheffingen inhouden en wil een werknemer toch voorkomen dat hij bij de aanslag inkomstenbelasting geconfronteerd wordt met een bij te betalen bedrag? Dan kan de werknemer altijd zelf de Belastingdienst verzoeken om een voorlopige aanslag op te leggen.
Wordt aan jou op een aanslag belastingrente berekend, dan kun je daar bezwaar tegen maken. Naar aanleiding van een rechtbankuitspraak eind 2024, zijn in het eerste halfjaar van 2025 alle bezwaren tegen de belastingrente aangewezen als massaal bezwaar.
Belastingrente in strijd met evenredigheidsbeginsel
Rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 7 november 2024 dat de belastingrente die de Belastingdienst berekent over aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Aanwijzing massaal bezwaar
Naar aanleiding van deze uitspraak zijn veel bezwaarschriften tegen de belastingrente bij de Belastingdienst binnengekomen. Daarom zijn inmiddels bezwaren tegen de vanaf 1 oktober 2020 in rekening gebrachte belastingrente aangewezen als massaal bezwaar. Dit betekent dat de Belastingdienst nu nog geen uitspraak doet op deze bezwaren, maar deze aanhoudt. Als de diverse vragen over de belastingrente in de rechtspraak definitief zijn beantwoord, doet de Belastingdienst één gezamenlijke collectieve uitspraak op alle bezwaren.
Hoe hoog mag de rente zijn?
De zaak van rechtbank Noord-Nederland ligt al bij de Hoge Raad. De adviseur van de Hoge Raad – de Advocaat-Generaal (A-G) – heeft in een advies aangegeven dat ook naar zijn mening het rentepercentage voor de Vpb onverbindend is en dat met de regeling het motiverings- en evenredigheidsbeginsel zijn geschonden.
De A-G geeft de Hoge Raad in zijn advies ook mee dat het maatschappelijk zeer gewenst zou zijn als de Hoge Raad zich ook uitspreekt over hoe hoog de rente voor de Vpb en andere belastingen dan wel zou moeten zijn.
De A-G geeft het advies dat een redelijke uitkomst zou zijn om het rentepercentage vast te stellen op de wettelijke niet-handelsrente. Deze rente bedroeg van 2015 tot en met 2022 2%, in de eerste helft van 2023 4%, in de tweede helft van 2023 6% en in 2024 7%. Vanaf 1 januari 2025 bedraagt deze rente 6%.
De Hoge Raad beslist zelf en is niet gehouden om het advies van de A-G te volgen. Het is dus nog afwachten of de Hoge Raad ook vindt dat het rentepercentage onverbindend is en of de Hoge Raad iets gaat zeggen over hoe hoog de rente dan wel mag zijn.
Maak wel op tijd bezwaar!
Je bezwaar loopt alleen mee in de massaalbezwaarprocedure als dit bezwaar op tijd is ingediend. Op tijd betekent binnen zes weken na dagtekening van de aanslag.
Is op je voorlopige aanslag belastingrente berekend, dan moet je eerst een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag indienen. De Belastingdienst wijst dit verzoek dan af en daartegen kun je in bezwaar. Inmiddels kun je in één combinatiebrief zowel een verzoek om herziening als het bezwaar tegen de afwijzing van dit verzoek doen. Zorg er wel voor dat je dit op tijd doet, anders loopt je bezwaar niet mee in de massaalbezwaarprocedure.
Overleg
Deed de Belastingdienst al vóór 7 februari 2025 (o.a. Vpb) of vóór 7 mei 2025 (o.a. inkomstenbelasting, btw, loonbelasting en dividendbelasting) uitspraak op je bezwaar, dan kan het zijn dat je bezwaar niet meeloopt in de massaalbezwaarprocedure. Hetzelfde geldt voor andere bezwaren dan de belastingrente die opgenomen zijn in je bezwaarschrift. Heb je hier vragen over of heb je andere vragen? Neem dan contact op met onze adviseur. Wij helpen je graag verder.
De belastingrente voor de loonheffingen bedraagt in 2026 5%. Dat is 1,5% lager dan in 2025 toen deze nog 6,5% bedroeg.
Als een uitlener de loonbelasting, sociale verzekeringspremies en omzetbelasting niet betaalt die verschuldigd zijn vanwege het uitlenen van arbeidskrachten, kan de Belastingdienst de inlener of doorlener aansprakelijk stellen. De inlener of doorlener kan het risico op aansprakelijkstelling beperken door een deel van de facturen van de uitlener of doorlener op een g-rekening te betalen. Voldoet de inlener of doorlener aan de daarvoor verplichte administratie, dan geldt er een vrijwaring tot het op de g-rekening betaalde bedrag.
Vanaf 2027 komen er twee bewijsvermoedens in de wet waardoor het voor de Belastingdienst eenvoudiger wordt om een inlener en doorlener aansprakelijk te stellen. De bewijsvermoedens in de inlenersaansprakelijkheid treden gelijktijdig met de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten in werking.
Vermoeden omvang aansprakelijkheidsschuld
Zo krijgt de Belastingdienst de mogelijkheid om een beroep te doen op een vermoeden over de omvang van de aansprakelijkheidsschuld ter grootte van 35% van de factuursom. De Belastingdienst kan de inlener en doorlener dan straks aansprakelijk stellen voor (gezamenlijk) maximaal 35% van de factuursom, zonder verder onderzoek te doen naar de daadwerkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld.
De inlener of doorlener heeft wel een tegenbewijsmogelijkheid met betrekking tot de werkelijke omvang van de aansprakelijkheidsschuld. Zo kan bijvoorbeeld tegenbewijs geleverd worden op basis van stukken uit de eigen administratie.
Deze aansprakelijkstelling is straks alleen mogelijk als de inlener of doorlener minder dan 35% van de factuursom op de g-rekening betaalt. De inlener of doorlener is immers gevrijwaard tot het op de g-rekening gestorte bedrag.
Vermoeden uitlener
Het tweede bewijsvermoeden dat geïntroduceerd wordt, is dat een onderneming die ingeschreven is in het openbaar register als toegelaten uitzendonderneming, een uitlener is. De Belastingdienst hoeft dan dus niet te onderzoeken of sprake is van inlening of aanneming van werk, maar kan de fiscale inlenersaansprakelijkheid toepassen.
Ook voor dit bewijsvermoeden geldt een tegenbewijsmogelijkheid. De inlener of doorlener kan, ondanks de inschrijving van de uitlener in het openbaar register, proberen aannemelijk te maken dat sprake was van aanneming van werk.
Het openbaar register is onderdeel van de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten, die met ingang van 1 januari 2027 in werking treedt. Na inwerkingtreding van deze wet zal een toelatingsstelsel gaan gelden binnen de uitzendsector.
Beleidsmatige vrijwaring
Naast deze twee bewijsvermoedens wordt ook een beleidsmatige vrijwaring geïntroduceerd voor inleners die arbeidskrachten inhuren van uitleners of doorleners met een toelating. Voorwaarde is dat de inlener 35% van de factuursom betaalt op de g-rekening en voldoet aan de administratieve verplichtingen.
Leen je zelf personeel uit? Dan kan degene aan wie je je personeel uitleen je vragen om een Verklaring betalingsgedrag. Met zo’n verklaring kun je aantonen dat je aan je aangifte- en betalingsverplichtingen voor de loonheffingen en/of btw voldoet. Dit is voor de inlener, doorlener of aannemer van belang, omdat deze aansprakelijk gesteld kan worden als je niet aan deze verplichtingen voldoet. Er zijn twee verschillende formulieren. Als uitlener gebruik je het formulier Verklaring betalingsgedrag inlenersaansprakelijkheid (uitlener) en als onderaannemer het formulier Verklaring betalingsgedrag ketenaansprakelijkheid (onderaannemer).
Ook in andere gevallen kan iemand je vragen aan te tonen dat je aan je aangifte- en betalingsverplichtingen voldoet, bijvoorbeeld bij een aanbestedingsprocedure of een vergunningsaanvraag. Voor deze situatie geldt echter een ander formulier: Verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen.
Je kunt met DigiD een Verklaring betalingsgedrag aanvragen. De Belastingdienst streeft ernaar om binnen één week op je online aanvraag te beslissen. Als er veel aanvragen zijn, kan dit langer duren. De Verklaring betalingsgedrag wordt naar het bij de Belastingdienst bekende woon- of vestigingsadres gezonden.
Aanvragen met eHerkenning is helaas nog niet mogelijk. Daarvoor moet je dus nog de pdf van de website van de Belastingdienst downloaden en deze schriftelijk indienen.