Ook op het gebied van vervoer veranderen per 2026 en 2027 diverse fiscale spelregels. Denk aan aangepaste bijtellingspercentages voor (elektrische) auto’s van de zaak, wijzigingen in de youngtimerregeling en de introductie van een nieuwe pseudo-eindheffing voor werkgevers. Daarnaast zijn er aandachtspunten rond bestelauto’s, fietsen van de zaak, reiskostenvergoedingen, parkeren tijdens vakantie en de rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit. Hieronder zetten wij de belangrijkste ontwikkelingen en aandachtspunten voor je op een rij.
De bijtelling voor nieuwe auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer verandert in 2026 niet. Deze blijft, net als in eerdere jaren, gehandhaafd op 22%.
De bijtelling voor nieuwe auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram (onder meer volledig elektrische auto’s) per kilometer bedroeg in 2025 17% tot een catalogusprijs van € 30.000 en 22% daarboven. Het jaar 2025 zou het laatste jaar zijn waarin een korting geldt voor nieuwe auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram. Op het laatste moment is echter een wetswijziging aangenomen waardoor in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling geldt voor nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot.
Deze lagere bijtelling bedraagt voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. In 2027 is dit 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Vanaf 2028 vervalt de lagere bijtelling voor in 2028 ter beschikking gestelde nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot.
| Jaar | Korting | Bijtelling | Plafond | Bijtelling daarboven |
| 2026 | 4% | 18% | € 30.000 | 22% |
| 2027 | 2% | 20% | € 30.000 | 22% |
| 2028 e.v. | 0% | 22% | n.v.t. | n.v.t. |
De bijtelling wordt vastgesteld voor 60 maanden, geldend vanaf de eerste maand na de maand waarin de auto voor het eerst is toegelaten. Na afloop van de 60 maandentermijn wordt voor de volledig elektrische auto per jaar bezien of sprake is van een kortingspercentage volgens de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram die in 2026 uit de 60 maanden lopen, krijgen dus vanaf dat moment een bijtelling van 18% over de eerste € 30.000 catalogusprijs en 22% daarboven. Vanaf 2027 krijgen deze auto’s een bijtelling van 20% over de eerste € 30.000 catalogusprijs en 22% daarboven en vanaf 2028 bedraagt de bijtelling 22%.
Uitzondering voor auto’s op waterstof en voor auto’s op zonne-energie
De aftopping van het bijtellingspercentage van 18% voor de catalogusprijs boven € 30.000 (2026) geldt niet voor auto’s op waterstof of zonne-energie. Voor dergelijke auto’s geldt in 2026 het bijtellingspercentage van 18% voor de gehele catalogusprijs.
Vanaf 1 januari 2026 én 1 januari 2027 wijzigen de spelregels van de youngtimerregeling. In het jaar 2026 geldt een overgangsregeling.
Youngtimerregeling
De youngtimerregeling betekende in 2025 nog dat een auto van de zaak die vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik was genomen, een bijtelling kende van 35% van de waarde in het economisch verkeer. Was de auto jonger, maar wel vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedroeg de bijtelling 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde.
Verhoging leeftijd
De leeftijdsgrens in de youngtimerregeling gaat in 2026 naar zestien jaar en vanaf 2027 naar 25 jaar.
Overgangsregeling in 2026
Deze nieuwe leeftijdsgrens zou betekenen dat een auto die in 2025 vijftien jaar oud werd, in een deel van 2026 (namelijk voor de maanden tot de auto zestien jaar oud is) weer te maken krijgt met een bijtelling van 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde.
Gelukkig is voor deze situaties een overgangsregeling aangekondigd. Hierdoor blijft de youngtimerregeling uit 2025 ook in 2026 van toepassing. Dit betekent dat de bijtelling heel 2026 35% bedraagt over de waarde van de auto in het economisch verkeer. Voorwaarde is dat:
Er geldt een keuzemogelijkheid. Als het gunstiger is om in plaats van 35% van de waarde in het economisch verkeer, 25% van de cataloguswaarde bij te tellen, dan kun je daarvoor kiezen.
In cijfers: een auto uit 2010
Stel dat je een auto van de zaak hebt die op 30 september 2010 voor het eerst in gebruik werd genomen. Vanaf oktober 2025 bedraagt de bijtelling van deze auto volgens de huidige youngtimerregeling die tot 1 januari 2026 geldt, geen 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer van deze auto.
Als de oorspronkelijke cataloguswaarde € 50.000 bedroeg en de waarde in het economisch verkeer in oktober 2025 € 8.000, bedraagt de maandelijkse bijtelling vanaf oktober 2025 geen € 1.041,67 (1/12 van 25% van € 50.000), maar € 233,33 (1/12 van 35% van € 8.000).
Vanwege het verhogen van de leeftijdsgrens naar zestien jaar volgens de nieuwe regeling, zou de maandelijkse bijtelling vanaf januari tot en met september 2026 € 1.041,67 gaan bedragen. Door de overgangsregeling mag in deze maanden echter ook een bijtelling van € 233,33 worden toegepast (bij een waarde in het economisch verkeer van € 8.000). Van oktober tot en met december 2026 kun je op grond van de wettelijke bepaling ook nog profiteren van de youngtimerregeling met een maandelijkse bijtelling van € 233,33 (even uitgaande van een gelijkblijvende waarde in het economisch verkeer).
Vanaf januari 2027 bedraagt – door de verhoging van de leeftijdsgrens naar 25 jaar – je maandelijkse bijtelling wel € 1.041,67 tot je auto de leeftijd van 25 jaar bereikt.
Vanaf 2027 geldt een pseudo-eindheffing van 12% in de loonbelasting. Deze 12% is een werkgever verschuldigd als hij aan een werknemer vanaf 2027:
De 12% pseudo-eindheffing komt ten laste van de werkgever. Het is een extra heffing die de werkgever niet mag verhalen op de werknemer. Daarnaast blijft de bijtelling voor de auto van de zaak die ten laste van de werknemer komt, ook gewoon bestaan in 2027.
Uitzonderingen
Er is wel een aantal uitzonderingen. Een werkgever is de eindheffing namelijk niet verschuldigd als:
Er geldt een uitzondering voor incidenteel privégebruik bij overmacht en bijzondere omstandigheden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat hiervan sprake is.
Woon-werkverkeer is privé!
Wat betreft de uitzondering van geen privégebruik zit er een addertje onder het gras. Waar voor de bijtelling van de auto van de zaak het woon-werkverkeer als zakelijk wordt aangemerkt, zijn deze kilometers voor de pseudo-eindheffing privékilometers.
Dit heeft tot gevolg dat een werkgever vanaf 2027 ook de pseudo-eindheffing verschuldigd kan zijn als de werknemer de personenauto niet privé gebruikt (of maximaal 500 kilometers) en dus geen bijtelling heeft. Als die werknemer de personenauto wel voor woon-werkverkeer gebruikt, is de werkgever de pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd.
Personenauto
De pseudo-eindheffing geldt voor personenauto’s. Dit zijn voertuigen met voertuigclassificatie M1 in het civiele kentekenregister en auto’s die onder de Europese verordening zo zouden kwalificeren.
Een M1-voertuig is een motorvoertuig op vier of meer wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, met maximaal negen zitplaatsen, inclusief bestuurdersstoel. Ook kampeerauto’s, personenbusjes voor zorgvervoer (ingericht met maximaal negen zitplaatsen) en lijkwagens vallen hieronder.
Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors hebben geen M1-kwalificatie en vallen dus niet onder de pseudo-eindheffing.
Overgangsregeling tot 17 september 2030
Personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling tot 17 september 2030. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.
De overgangsregeling is gekoppeld aan de personenauto. Dus ook als een werkgever de auto na 1 januari 2027 ter beschikking stelt aan een andere werknemer dan aan wie de auto vóór 1 januari 2027 ter beschikking stond, blijft de overgangsregeling gelden.
12% van de (catalogus)waarde
De 12% pseudo-eindheffing wordt straks berekend over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. In tegenstelling tot de bijtelling voor de auto van de zaak, wordt bij de berekening van de pseudo-eindheffing geen rekening gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer. Is de personenauto ouder dan 25 jaar, dan wordt de 12% pseudo-eindheffing berekend over de waarde in het economisch verkeer van de personenauto.
Betaling bij aangifte loonbelasting
De pseudo-eindheffing wordt per kalendermaand berekend. De werkgever kan er echter voor kiezen om de eindheffing uiterlijk in de tweede loonaangifte van het volgende kalenderjaar te voldoen.
Over het jaar 2027 betaalt een werkgever de pseudo-eindheffing dus uiterlijk in het tweede loonaangiftetijdvak van 2028.
Besparen op de pseudo-eindheffing door de personenauto niet alle dagen voor privé ter beschikking te stellen, zal niet werken. Als de personenauto slechts een deel van een maand voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, wordt deze namelijk geacht de hele kalendermaand voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. De pseudo-eindheffing van 12% geldt dan voor de hele kalendermaand.
Ook voor de dga, niet voor IB-ondernemer
De pseudo-eindheffing is een heffing voor werkgevers. Dit betekent dat als een bv een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een dga, deze bv ook met de heffing te maken kan krijgen.
Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet met de heffing te maken krijgen, maar mogelijk wel voor zijn personeel.
Anticiperen
Ondanks dat de maatregel pas in 2027 ingaat en er een overgangsregeling geldt, is het goed om al te anticiperen op de maatregel. Dat geldt zeker als u nu of in de toekomst een leasecontract gaat afsluiten met een looptijd van vijf jaar. De overgangsregeling loopt immers tot 17 september 2030 en dat is op dit moment al over minder dan vijf jaar.
De bijtelling voor het privégebruik auto van een afwisselend door meerdere werknemers gebruikte bestelauto kan een werkgever afkopen door het toepassen van een eindheffing. Het bedrag van die eindheffing is in 2026 € 13 hoger dan in 2025 en bedraagt € 451 per jaar (in 2025 € 438).
Als gevolg van rechtspraak in 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:3152) zien we in de praktijk dat de Belastingdienst voor toepassing van de eindheffing van een wisselend gebruikte bestelauto als voorwaarde stelt dat het bijhouden van een rittenregistratie voor de bestelauto bezwaarlijk is. Houd er dus rekening mee dat in situaties waarin het bijhouden van een rittenregistratie in de visie van de Belastingdienst niet bezwaarlijk is, de Belastingdienst toepassing van de eindheffing niet accepteert.
Het bedrag van € 451 geldt alleen voor een afwisselend door meerdere werknemers gebruikte bestelauto. Staat een personenauto aan meerdere werknemers ter beschikking voor privégebruik? Dan kun je de bijtelling per werknemer baseren op de mate waarin de auto aan de werknemer ter beschikking staat. Staat een auto bijvoorbeeld aan twee werknemers in gelijke mate ter beschikking en gebruiken zij de auto beiden ook privé? Dan bedraagt de bijtelling bij beide werknemers 50% van de gebruikelijke bijtelling.
Stel je een fiets aan een werknemer ter beschikking die de werknemer voor privé mag gebruiken, dan moet je een bijtelling toepassen. Mag een werknemer de fiets ook voor woon-werkverkeer gebruiken, dan wordt deze fiets geacht in ieder geval ook voor privégebruik ter beschikking te staan. Per kalenderjaar geldt bij privégebruik een bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets.
Over deze bijtelling moet je loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
Je kunt er ook voor kiezen om de bijtelling aan te wijzen in de vrije ruimte, mits aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan. Als uiteindelijk blijkt dat je de vrije ruimte in een jaar overschrijdt, dan betaal je als werkgever 80% eindheffing over de overschrijding. Houd hier rekening mee bij de keuze om de bijtelling wel of niet aan te wijzen in de vrije ruimte.
Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 hoeft er vanaf 1 januari 2026 geen bijtelling meer toegepast te worden voor fietsen die niet of slechts incidenteel (niet meer dan 10% van de tijd) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer worden gestald. Dit geldt bijvoorbeeld voor deel- en hubfietsen, maar ook voor andere fietsen die niet meer dan 10% van de tijd bij het woon- of verblijfadres worden gestald.
Heeft de werknemer niet de beschikkingsmacht over de fiets in de periode dat deze bij zijn woon- of verblijfadres is, dan is in ieder geval geen sprake van stallen van de fiets. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een deelfiets in de app is ingeleverd.
De nieuwe regels hebben terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Heb je ten onrechte bijtelling toegepast vanaf die datum, dan kun je vanaf 1 januari 2026 de afgedragen belasting terugvragen. Je moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de fiets voor niet meer dan 10% van de tijd thuis gestald was. Bovendien moet de fiets ook alleen voor (een deel van) het woon-werkverkeer zijn en niet privé zijn gebruikt.
De reiskostenvergoeding voor zakelijke reiskosten met eigen vervoer, waaronder woon-werkverkeer, is in 2026 € 0,23/km (gelijk aan 2025). Dit betreft vrijwel alle vormen van vervoer, dus bijvoorbeeld ook de afgelegde kilometers per fiets en bromfiets.
Werkgevers die over voldoende parkeerruimte in de omgeving van het bedrijf beschikken, stellen hun werknemers soms in staat om bijvoorbeeld tijdens de vakantie hun auto daar te stallen. Is dergelijke parkeerruimte, dus niet op het bedrijfsterrein zelf, dan belast of niet?
Openbaar parkeren
De Belastingdienst is in een kennisgroepstandpunt nader ingegaan op deze situatie aan de hand van een casus. Tussen het kantoor van een werkgever en de parkeerplaatsen bevindt zich een openbare ruimte. Ook derden kunnen van de parkeergelegenheid gebruikmaken. Parkeren daar kost € 16 per dag.
Geen nihilwaardering
De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat parkeren van de eigen auto tijdens een vakantie in deze situatie belast is. De parkeergelegenheid valt – op grond van een bijzondere regeling – onder het begrip werkplek. Dat betekent dat de nihilwaardering geldt.
Maar, zo oordeelt de kennisgroep, de nihilwaardering geldt alleen voor voorzieningen die de werkgever “in het belang van het arbeidsproces of het bedrijfsproces noodzakelijk vindt of vanwege wettelijke verplichtingen moet maken”. Bovendien moet het gaan om voorzieningen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als loon worden ervaren, ook al kan sprake zijn van enig privévoordeel. Langdurig parkeren anders dan voor het werk valt hier niet onder, aldus de kennisgroep, zodat de nihilwaardering niet van toepassing is.
Ruimere uitleg Handboek Loonheffingen 2025
Het Handboek Loonheffingen 2025 hanteert echter een ruimere uitleg en stelt dat het parkeren onbelast is, als de werknemer de werkgever met succes aansprakelijk kan stellen. De Belastingdienst is van mening dat werkgevers hieraan het vertrouwen kunnen ontlenen dat parkeren onder genoemde omstandigheden onbelast is. Het handboek zal op dit punt wel worden aangepast.
Overgangsregeling!
Vanwege deze onduidelijkheid hanteert de Belastingdienst daarom een overgangsperiode voor werkgevers die vóór het onderhavige standpunt van de Belastingdienst, dus vóór 9 oktober 2025, op basis van de tekst van het Handboek Loonheffingen 2025 parkeergelegenheid in de omgeving van de werkplek ter beschikking hebben gesteld aan hun werknemers. Tot de datum van publicatie van het Handboek Loonheffingen 2026 blijft in die gevallen het parkeren van de privéauto tijdens vakanties onbelast.
Zorg ervoor dat je in soortgelijke omstandigheden inspeelt op deze wijziging. Je werknemer zal vanaf de publicatie van het Handboek loonheffingen 2026 belasting moeten betalen over het voordeel. Je kunt dit voordeel uiteraard ook bruteren of onderbrengen in de werkkostenregeling als dit voldoet aan het gebruikelijkheidscriterium.
Bedrijven tot 250 werknemers worden vanaf waarschijnlijk 2027 uitgezonderd van de verplichting om over het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer van werknemers te rapporteren.
Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM)
Vanaf 1 juli 2024 zijn werkgevers met 100 of meer werknemers verplicht te rapporteren over het zakelijk verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting maakt onderdeel uit van de Omgevingswet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’ (afgekort WPM).
Welke gegevens?
Bedrijven die onder deze rapportageverplichting vallen, moeten veel gegevens verzamelen. Denk hierbij aan het totaalaantal kilometers dat de werknemers afleggen voor zakelijk en woon-werkverkeer en het jaartotaal aan kilometers, uitgesplitst naar soort vervoermiddel en brandstoftype.
De gegevens over 2025 moeten uiterlijk 30 juni 2026 ingeleverd zijn.
Uitzondering voor werkgevers tot 250 werknemers
De administratie van veel mkb-bedrijven is niet ingericht op de rapportageverplichting. Op 15 april 2025 nam de Tweede Kamer daarom al een motie aan over het afschaffen van de WPM voor bedrijven tot 250 werknemers. In een Kamerbrief van 20 november 2025 is ook het voornemen aangekondigd om bedrijven tot 250 werknemers uit te zonderen van de verplichting.
Hiervoor is wetgeving in voorbereiding. Het streven is om deze uitzondering per 1 januari 2027 in te laten gaan. Als deze wetgeving op tijd wordt aangenomen, geldt de rapportageverplichting vanaf die datum alleen nog voor bedrijven met 250 of meer werknemers.
Tot 2027 terughoudende handhaving?
Het voornemen betekent niet dat de WPM nu al is afgeschaft voor bedrijven tot 250 werknemers. Bedrijven met 100 of meer werknemers moeten daarom nu gewoon nog aan de rapportageverplichtingen voldoen. De staatssecretaris treedt wel met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in overleg over de handhaving tot 1 januari 2027. Hij wil graag dat gemeenten en omgevingsdiensten tot 1 januari 2027 terughoudend omgaan met hun handhavingsbevoegdheden.
Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl.