In dit artikel lees je de belangrijkste ontwikkelingen rond de positie van de zzp’er. Van recente jurisprudentie over schijnzelfstandigheid en nieuwe wetsvoorstellen zoals de Vbar en de Zelfstandigenwet tot aangescherpte handhaving door de Belastingdienst, verplichte verzekeringen en administratieve verplichtingen: dit zijn de belangrijkste aandachtspunten voor opdrachtgevers en zelfstandigen.
Voor een werkgever, ofwel opdrachtgever, is het van belang om na te gaan of er wel sprake is van echte zelfstandigheid of dat er sprake is van schijnzelfstandigheid. Een zzp’er die achteraf toch werknemer blijkt te zijn, kan voor de opdrachtgever namelijk flink in de papieren lopen.
Werknemer ingevolge de wet
Om van een werknemer te kunnen spreken, moet ingevolge de wet (artikel 7:610 BW):
Rechtspraak: Deliveroo
In het Deliveroo-arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de rechter voor de gezagsverhouding ook mag kijken of het werk dat wordt verricht ‘organisatorisch is ingebed’ in de organisatie en daarmee behoort tot de normale bedrijfsarbeid van de onderneming van de werkgever. Dat betreft echter maar een van de in aanmerking te nemen omstandigheden. Er moet holistisch worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. Van belang kunnen onder meer zijn:
Rechtspraak Uber
De Hoge Raad heeft in bovengenoemd Deliveroo-arrest geen rangorde aangebracht tussen de diverse gezichtspunten. Inmiddels heeft de Hoge Raad in de Uber-zaak geantwoord op prejudiciële vragen die waren gesteld door gerechtshof Amsterdam over het gezichtspunt ondernemerschap. In reactie daarop oordeelde de Hoge Raad dat niet één aspect bepalend is. Dit betekent bijvoorbeeld dat als iemand zich vrijelijk mag laten vervangen door een ander, wat duidt op zelfstandigheid, het nog steeds een arbeidsovereenkomst kan zijn vanwege alle andere aspecten.
De Hoge Raad antwoordt in de Uber-zaak ook dat dit in de praktijk kan betekenen dat hetzelfde werk, voor dezelfde opdrachtgever, voor iemand met ‘ondernemerschap’ geen arbeidsovereenkomst is, en voor iemand zonder ‘ondernemerschap’ wel.
Het begrip ‘ondernemerschap’ ziet, zo antwoordt de Hoge Raad, op de algemene (ondernemers)situatie van de werkende. Het beperkt zich dus niet tot specifieke omstandigheden bij een opdracht, maar kan ook betrekking hebben op omstandigheden buiten de specifieke verhouding tussen de werkende en zijn opdrachtgever.
Rechtspraak Helpling
In de Helpling-zaak kon een schoonmaker zich via de website van Helpling aanmelden voor schoonmaakwerkzaamheden. De schoonmaker kon daarbij zelf aangeven tegen welk uurtarief hij wilde werken. Helpling liet vervolgens aan huishoudens die op zoek waren naar een schoonmaker via het platform zien welke schoonmakers beschikbaar waren. Het huishouden deed vervolgens een boekingsverzoek, waarna bij acceptatie hiervan door de schoonmaker de boeking feitelijk tot stand kwam. Helpling verzorgde via een speciale betaaldienst de betalingen aan de schoonmakers en rekende een provisie van minimaal 23% en maximaal 32%. Er golden voor de huishoudens en voor de schoonmakers verschillende door Helpling opgestelde algemene voorwaarden, waarmee ze akkoord moesten gaan.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers. De advocaat-generaal oordeelde nog dat tussen Helpling en de schoonmakers een reguliere arbeidsovereenkomst bestond, omdat particuliere huishoudens niet zouden kunnen optreden als inlener. De Hoge Raad is het daar niet mee eens. Noch uit de wetsgeschiedenis, noch uit het stelsel van de wet volgt dat de terbeschikkingstelling van een uitzendkracht uitsluitend kan plaatsvinden in het kader van het beroep of bedrijf van de inlener. Er is verder voldaan aan de criteria van een uitzendovereenkomst, namelijk dat de huishoudens als inlenende partij het toezicht en de leiding uitoefenden en dat Helpling de formele gezagsrelatie had en de betalingen beheerde. Dit laatste maakt dat er ook geen sprake was van een reguliere arbeidsovereenkomst tussen de schoonmakers en de huishoudens.
Op 7 juli 2025 is het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel verduidelijkt de criteria over wanneer iemand werknemer is en wanneer iemand als zelfstandige werkt.
Elementen beoordeling werknemerschap
De al bestaande definitie van een arbeidsovereenkomst wordt door het wetsvoorstel nader aangevuld. Momenteel is sprake van een arbeidsovereenkomst als een werknemer persoonlijk arbeid verricht in dienst van een werkgever die aanwijzingen en instructies kan geven (gezagsverhouding) en daarvoor loon ontvangt. In het wetsvoorstel wordt dit aangevuld door aan te geven dat van arbeid verrichten in dienst van een werkgever sprake is als:
WZ-toets
Het wetsvoorstel Vbar introduceert in de Memorie van Toelichting de WZ-toets, een nieuw beoordelingskader voor arbeidsrelaties. De WZ-toets verduidelijkt het gezagscriterium bij arbeidsrelaties en bestaat uit twee elementen:

Rechtsvermoeden werknemerschap
Zzp’ers die minder dan € 36 per uur verdienen, kunnen straks stellen dat ze werknemer zijn en de bijbehorende rechten opeisen. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan loondoorbetaling bij ziekte, vakantiedagen en ontslagbescherming. Heeft een zzp’er een beroep gedaan op dit rechtsvermoeden, dan verschuift de bewijslast naar de werkgever die moet aantonen dat er toch geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Het is dus een weerlegbaar rechtsvermoeden. Het uurtarief wordt elk jaar aangepast aan de stijging van het minimumloon en wordt afgerond op hele euro’s.
De beoogde invoeringsdatum van de wet is 1 juli 2026. De wet moet nog door de Tweede en Eerste Kamer worden aangenomen. Het wetsvoorstel is cruciaal voor het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP), gekoppeld aan EU-steun van in totaal ongeveer € 5,4 miljard. Het niet tijdig aannemen van de Vbar kan leiden tot verlies van zo’n € 600 miljoen aan Europees geld.
Een nieuw initiatiefwetsvoorstel met betrekking tot de positie van zelfstandigen lag van 26 mei tot en met 23 juni 2025 ter internetconsultatie. Het voorstel moet een einde maken aan de onduidelijkheid en onrust rond de status van zzp’ers. Verder moet de nieuwe wet beter aansluiten bij de moderne arbeidsmarkt – wil je wel of niet als zzp’er gaan werken – door duidelijkheid te geven over hun status: zijn ze zelfstandige of ze zijn werknemer?
Zelfstandigentoets en werkrelatietoets
In het wetsvoorstel wordt een duidelijk wettelijk toetsingskader voorgesteld om te bepalen wanneer als zelfstandige kan worden gewerkt. Er komen twee toetsen waar een zelfstandige aan moet voldoen om als zelfstandige te werken: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Hierdoor wordt duidelijkheid gecreëerd, waardoor partijen achteraf niet met naheffingen of boetes geconfronteerd worden.
Voorwaarden zelfstandigentoets
De voorwaarden uit de zelfstandigentoets zijn:
Voorwaarden werkrelatietoets
De voorwaarden uit de werkrelatietoets zijn:
Rechtsvermoeden op sectoraal niveau
Daarnaast introduceert het wetsvoorstel nog de mogelijkheid om op sectoraal niveau een rechtsvermoeden te introduceren voor sectoren met een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid.
Uiteraard blijven hiernaast de feitelijke omstandigheden relevant.
Toetsingscommissie
In het wetsvoorstel is een aparte toetsingscommissie opgenomen die werkrelaties waar nodig kan beoordelen, om zodoende duidelijkheid aan de markt te geven. De uitgevoerde beoordelingen zijn openbaar en bindend voor handhavende instanties, zoals de Belastingdienst.
Rechtsvermoeden op basis van uurtarief
Verder wordt in het initiatiefwetsvoorstel de introductie van het rechtsvermoeden van werknemerschap op basis van een uurtarief voorgesteld, dat feitelijk een bodem in de markt voor zzp’ers legt, zoals dat is opgenomen in de conceptwet Vbar.
Het initiatiefwetsvoorstel moet nog door de Tweede Kamer in behandeling genomen worden.
De zachte landing voor de handhaving van schijnzelfstandigheid wordt in 2026 gedeeltelijk verlengd. Nadat het kabinet eerdere aangenomen moties hierover niet wilde uitvoeren, ging het kabinet op 19 december 2025 toch deels overstag.
Handhavingsmoratorium in 2024
In 2024 gold nog een handhavingsmoratorium. Dit betekende dat de Belastingdienst in 2024 bij constatering van een dienstbetrekking alleen correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en eventueel boetes oplegde bij kwaadwillendheid. In alle andere gevallen gaf de Belastingdienst alleen een aanwijzing, die de werkgever moest opvolgen.
Handhaving in 2025
Met ingang van 1 januari 2025 werd het handhavingsmoratorium arbeidsrelaties volledig opgeheven. Dit betekende dat de Belastingdienst vanaf 1 januari 2025 bij een onjuiste kwalificatie van een arbeidsrelatie weer volledig ging handhaven.
De Belastingdienst startte in 2025 in principe met een bedrijfsbezoek, waarbij met de opdrachtgever een gesprek gevoerd werd over de inhuur van zelfstandigen en extern personeel. Waar nodig werd de opdrachtgever gewezen op aandacht voor de kwalificatie van de arbeidsrelaties en mogelijke risico’s op schijnzelfstandigheid. Op die manier werd de opdrachtgever gewaarschuwd. De Belastingdienst kon overigens (alsnog) ook voor een boekenonderzoek kiezen, bijvoorbeeld als de inschatting was dat er grote risico’s waren of als de opdrachtgever werkte of bleef werken met schijnzelfstandigen.
De Belastingdienst kon bij zo’n boekenonderzoek in alle gevallen wel weer correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen opleggen. De Belastingdienst kon daarbij alleen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 corrigeren, tenzij sprake was van kwaadwillendheid.
Over het kalenderjaar 2025 werden aan werkgevers en werkenden nog geen verzuim- en vergrijpboetes opgelegd als zij konden bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Er was derhalve sprake van een zachte landing. Er gold een overgangsperiode van een jaar, waarbij de Belastingdienst met name bekeek of organisaties serieus werk hadden gemaakt van het tegengaan van schijnzelfstandigheid.
De Belastingdienst had een toelichting uitgebracht waarbij werd aangegeven hoe de beoordeling van de arbeidsrelatie zou plaatsvinden. Het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2025 beschreef de wijze waarop de Belastingdienst in 2025 handhaafde.
De Belastingdienst keurt vanaf 6 september 2024 geen nieuwe modelovereenkomsten meer goed. Alle lopende goedgekeurde modelovereenkomsten zijn wel automatisch tot eind 2029 verlengd. De Belastingdienst kan een modelovereenkomst echter intrekken als deze niet meer voldoet aan wet- en regelgeving en jurisprudentie of als blijkt dat niet volgens de voorwaarden van de modelovereenkomst gewerkt wordt of kan worden.
Handhaving vanaf 2026
Met ingang van 1 januari 2026 zou het handhavingsmoratorium arbeidsrelaties en ook de zachte landing volledig opgeheven worden. Het kabinet heeft eind 2025 echter toch gekozen voor een gedeeltelijke verlenging van de zachte landing. Een volledige verlenging vond het kabinet ongewenst.
De gedeeltelijke verlenging betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 in principe start met een bedrijfsbezoek in plaats van meteen met een belastingcontrole. De ondernemer krijgt daarna in principe de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering te verbeteren.
Het starten met een bedrijfsbezoek betekent niet dat de Belastingdienst niet alsnog een belastingcontrole kan starten na het bedrijfsbezoek. Die mogelijkheid had de Belastingdienst in 2025 al en zal ook in 2026 mogelijk zijn.
De Belastingdienst kan in 2026 – net als in 2025 – wel naheffingen opleggen. Als sprake is van (evidente) schijnzelfstandigheid heeft de Belastingdienst dus de mogelijkheid om te handelen. Waar in 2025 nog geen vergrijpboetes opgelegd konden worden, kan dat vanaf 2026 wel. De verlenging van de zachte landing geldt dus niet voor vergrijpboetes.
De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen als sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. Het kabinet vindt het onwenselijk om (voorwaardelijke) opzet of grove schuld nog langer onbestraft te laten en wil de zachte landing op dit punt daarom niet verlengen.
De Belastingdienst kan in 2026 ook weer kiezen of ze een belastingcontrole doet over een kalenderjaar of over een recent aangiftetijdvak.
De verlenging van de zachte landing geldt nog wel voor verzuimboetes. De Belastingdienst legt dus in 2026 nog geen verzuimboetes op.
De verlenging van de zachte landing geldt alleen in 2026. Vanaf 2027 zal de Belastingdienst dus niet meer starten met een bedrijfsbezoek en ook verzuimboetes opleggen.
In het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 wordt beschreven hoe de Belastingdienst in 2026 gaat handhaven.
Vooroverleg
De Belastingdienst heeft het formulier Verzoek vooroverleg beoordeling arbeidsrelatie gepubliceerd. Je kunt dit formulier gebruiken als je wilt dat de Belastingdienst een arbeidsrelatie beoordeelt.
Gebruik daarbij ook de Checklist vooroverleg beoordeling arbeidsrelatie. In deze checklist vind je welke informatie je minimaal moet vermelden in jouw verzoek.
Risico opdrachtgever/werkgever
Als achteraf bij een herkwalificatie van de arbeidsrelatie sprake blijkt te zijn van een arbeidsovereenkomst, dan loopt de opdrachtgever onder meer het risico van het betalen van (achterstallige) loonbelasting, verlof, vakantietoeslag, premies werknemersverzekeringen en het werkgeversdeel in de pensioenpremie. Daarnaast kan vanaf 2026 en bij kwaadwillendheid al eerder een boete worden opgelegd.
Het wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (Baz) ligt bij de Raad van State voor advies.
Aanleiding Baz
Aanleiding van het wetsvoorstel is dat ongeveer 75% van de zelfstandigen op dit moment niet verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid. Dit is over het algemeen omdat ze de kosten te hoog vinden, maar een deel van de zelfstandigen kan zich door leeftijd of ziekte ook niet verzekeren. De bedoeling van de Baz is onder meer dat zelfstandigen meer zekerheid krijgen over hun inkomen.
Baz
In het wetsvoorstel Baz wordt elke zelfstandige verplicht zich te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid tot de AOW-leeftijd. Dat kan door deelname aan de Baz, maar ze kunnen ook, onder voorwaarden, voor een private verzekering kiezen.
Ten opzichte van een eerder voorstel zijn er aanpassingen gedaan in het wetsvoorstel dat naar de Raad van State is gestuurd.
Lagere premie
Zo is de premie verlaagd van 6,5 naar 5,4% van de winst van de zelfstandige, met een maximum van naar verwachting € 171 bruto per maand.
Zelfstandigen die ook in loondienst werken, zijn al verzekerd voor arbeidsongeschiktheid. Hebben zij vanuit de WIA al recht op een uitkering op het niveau van het minimumloon, dan hoeven zij straks geen Baz-premie te betalen.
Langere wachttijd
Ook de wachttijd voordat een zelfstandige een AOV-uitkering krijgt, is verlengd naar twee jaar. Dit is vergelijkbaar met de wachttijd van een zieke werknemer voor een WIA-uitkering.
Vervolg
Het wachten is nu op het advies van de Raad van State. Daarna moet het wetsvoorstel nog aan de Tweede Kamer worden aangeboden en moeten zowel de Tweede als de Eerste Kamer nog instemmen. Het is daarom nog niet zeker of, en zo ja vanaf wanneer, er een verplichte AOV voor zelfstandigen komt. Het UWV heeft al aangegeven niet voor 2030 in staat te zullen zijn om deze verzekering uit te voeren.
Zzp’ers kunnen zich mogelijk vrijwillig aansluiten bij een pensioenfonds. Dit is een van de afspraken die in de nieuwe Wet toekomst pensioenen staat.
Pensioenakkoord
In de Wet toekomst pensioenen (Wtp) staan de afspraken uit het Pensioenakkoord. Met de inwerkingtreding van deze wet op 1 juli 2023 is voor zzp’ers ook de mogelijkheid geïntroduceerd om zich vrijwillig aan te sluiten bij een pensioenfonds.
Voorwaarden pensioenfonds
Het moet wel gaan om een pensioenfonds in de branche waarin de zzp’er werkt. Verder moet het pensioenfonds ook de mogelijkheid bieden tot vrijwillige aansluiting. Informeer daarom bij het pensioenfonds of deze mogelijkheid bij hen bestaat.
Voor 1 juli 2023 konden werknemers zich bij uitdiensttreding al, onder voorwaarden, vrijwillig aansluiten bij het pensioenfonds van hun ex-werkgever. Deze mogelijkheid bestaat nog steeds.
Aftrek in inkomstenbelasting
De zzp’ers die van deze mogelijkheid gebruikmaken, kunnen de aan het pensioenfonds betaalde premies aftrekken in de aangifte inkomstenbelasting.
Het is goed om te weten dat het om een experiment gaat. Wordt het experiment niet voortgezet of omgezet in een definitieve regeling, dan kan de zzp’er het geld bij het pensioenfonds laten staan of opnemen en onderbrengen bij een bank of verzekeraar.
Verplichte pensioenregeling
Overigens geldt in bepaalde beroepsgroepen en bedrijfstakken voor ondernemers een verplichting om deel te nemen aan de pensioenregeling. Dit bestaat al langer en dus niet pas vanaf de inwerkingtreding van de Wtp.
Die verplichting geldt voor ondernemers met een schildersbedrijf, stukadoorsbedrijf, glaszetbedrijf, afwerkingsbedrijf, afbouwbedrijf, natuursteenbedrijf of een terrazzo- of vloerenbedrijf. Verder geldt die verplichting voor ondernemers die het beroep uitoefenen van apotheker, fysiotherapeut, huisarts, verloskundige, medisch specialist, dierenarts, notaris of kandidaat-notaris, loods of roeier in het Rotterdamse Havengebied.
Inhoudingsplichtigen moeten vóór 1 februari 2026 de in 2025 aan natuurlijke personen betaalde bedragen aan de Belastingdienst doorgeven. Dat geldt niet als die natuurlijke personen bij de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking zijn of aan hem een factuur met btw uitreiken.
Opgaaf Uitbetaling bedragen aan derden (Opgaaf UBD)
Deze verplichting staat bekend onder de naam ‘Opgaaf Uitbetaling bedragen aan derden’ ofwel opgaaf UBD. Het betekent dat alle inhoudingsplichtigen (dat zijn (rechts)personen met een loonheffingennummer) en bepaalde collectieve beheersorganisaties uit eigen beweging aan natuurlijke personen betaalde bedragen moeten doorgeven aan de Belastingdienst. Ze krijgen hier dus geen uitnodiging voor.
De verplichting geldt ook als je geen werknemers meer in dienst hebt, maar nog wel beschikt over een loonheffingennummer.
Uitzonderingen
De opgaaf UBD voor betalingen aan natuurlijke personen geldt alleen als die betaling betrekking heeft op door hen verrichte werkzaamheden en diensten. Er zijn uitzonderingen:
Wel opgaaf UBD bij btw-vrijstelling, btw verlegd en KOR
Een ondernemer – een natuurlijke persoon – die btw-vrijgestelde werkzaamheden verricht voor jou, is niet uitgezonderd van de opgaaf UBD. Hoewel deze ondernemer misschien een factuur uitreikt, is op deze factuur geen btw vermeld. Hetzelfde geldt voor een natuurlijke persoon die de KOR toepast of de btw naar jou verlegt. Ook voor betalingen aan deze natuurlijke personen moet je een opgaaf UBD doen.
Wat geef je door?
Je doet de opgaaf UBD digitaal. Je vermeldt hierbij:
Deed je meerdere betalingen in 2025 aan één natuurlijke persoon, dan mag je die betalingen ook bij elkaar optellen. Als datum geef je dan op de datum van de laatste uitbetaling in 2025.
Niet alleen betalingen in geld, maar ook betalingen in natura moet je doorgeven.
Uiterlijk 31 januari 2026
De opgaaf UBD 2025 moet je uiterlijk 31 januari 2026 doen. Ben je geen inhoudingsplichtige voor de loonheffingen of een collectieve beheersorganisatie, dan hoef je dit alleen te doen als de Belastingdienst daar specifiek om vraagt.
Betaal je een natuurlijke persoon begin 2026 voor in 2025 verrichte werkzaamheden en diensten, dan neem je deze betaling mee in de opgaaf UBD 2026, die je uiterlijk 31 januari 2027 moet indienen.