De bijtelling voor nieuwe auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer verandert in 2026 niet. Deze blijft, net als in eerdere jaren, gehandhaafd op 22%.
De bijtelling voor nieuwe auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram per kilometer (onder meer volledig elektrische auto’s) bedroeg in 2025 17% tot een catalogusprijs van € 30.000 en 22% daarboven. Het jaar 2025 zou het laatste jaar zijn waarin een korting geldt voor nieuwe auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram. Op het laatste moment is echter een wetswijziging aangenomen waardoor in 2026 en 2027 toch nog een lagere bijtelling geldt voor nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot.
Deze lagere bijtelling bedraagt voor een in 2026 ter beschikking gestelde volledig elektrische nieuwe auto 18% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. In 2027 is dit 20% over de eerste € 30.000 cataloguswaarde en 22% daarboven. Vanaf 2028 vervalt de lagere bijtelling voor in 2028 ter beschikking gestelde nieuwe auto’s zonder CO2-uitstoot.

De bijtelling wordt vastgesteld voor 60 maanden, geldend vanaf de eerste maand na de maand waarin de auto voor het eerst is toegelaten. Na afloop van de 60 maandentermijn wordt voor de volledig elektrische auto per jaar bezien of sprake is van een kortingspercentage volgens de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Auto’s met een CO2-uitstoot van 0 gram die in 2026 uit de 60 maanden lopen, krijgen dus vanaf dat moment een bijtelling van 18% over de eerste € 30.000 catalogusprijs en 22% daarboven. Vanaf 2027 krijgen deze auto’s een bijtelling van 20% over de eerste € 30.000 catalogusprijs en 22% daarboven en vanaf 2028 bedraagt de bijtelling 22%.
Uitzondering voor auto’s op waterstof en voor auto’s op zonne-energie
De aftopping van het bijtellingspercentage van 18% voor de catalogusprijs boven € 30.000 (2026) geldt niet voor auto’s op waterstof of zonne-energie. Voor dergelijke auto’s geldt in 2026 het bijtellingspercentage van 18% voor de gehele catalogusprijs.
Verhoging bijtelling in 2020 toegestaan
Een werknemer die in 2019 al een elektrische auto bestelde die pas in 2020 aan hem ter beschikking werd gesteld, stapte naar de rechter. In 2019 bedroeg de bijtelling namelijk nog 4% over een cataloguswaarde tot en met € 50.000, maar vanaf 2020 was de bijtelling 8% over een cataloguswaarde tot en met € 45.000. De rechtbank vond dat de wetgever bij deze verhoging voorbij was gegaan aan de belangen van de werknemer en verlaagde de bijtelling naar 4% over een cataloguswaarde tot en met € 50.000 (de bijtelling uit 2019 dus). Het gerechtshof vond dat de wetgever de wetswijziging goed had overdacht en ook voldoende rekening had gehouden met de gevolgen. Het gerechtshof vond daarom dat gewoon de bijtelling vanaf 2020 (8% over een cataloguswaarde tot en met € 45.000) van toepassing was.
Greentimerregeling?
De Tweede Kamer heeft de regering in een aangenomen motie verzocht om een green-timerregeling uit te werken om te voorkomen dat elektrische leaseauto’s die na vier of vijf jaar vrijkomen uit de lease massaal naar het buitenland worden geëxporteerd. Het kabinet heeft onderzoek laten doen waarbij in dit onderzoek is uitgegaan van een verlaagd bijtellingspercentage van 14-15% over de oorspronkelijke cataloguswaarde voor elektrische auto’s tussen de vijf en acht jaar oud. Het kabinet neemt bij de augustusbesluitvorming 2026 een besluit of en zo ja per wanneer, een greentimerregeling wordt ingevoerd.
Vanaf 1 januari 2026 én 1 januari 2027 wijzigen de spelregels van de youngtimerregeling. In het jaar 2026 geldt een overgangsregeling.
Youngtimerregeling
De youngtimerregeling betekende in 2025 nog dat een auto van de zaak die vijftien jaar geleden voor het eerst in gebruik was genomen, een bijtelling kende van 35% van de waarde in het economisch verkeer. Was de auto jonger, maar wel vóór 1 januari 2017 voor het eerst in gebruik genomen, dan bedroeg de bijtelling 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde.
Verhoging leeftijd
De leeftijdsgrens in de youngtimerregeling bedraagt in 2026 zestien jaar en vanaf 2027 vijfentwintig jaar.
Overgangsregeling in 2026
Deze nieuwe leeftijdsgrens zou betekenen dat een auto die in 2025 vijftien jaar oud werd, in een deel van 2026 (namelijk voor de maanden tot de auto zestien jaar oud is) weer te maken krijgt met een bijtelling van 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde.
Gelukkig geldt voor deze situaties een overgangsregeling. Hierdoor blijft de youngtimerregeling uit 2025 ook in 2026 van toepassing. Dit betekent dat de bijtelling heel 2026 35% bedraagt over de waarde van de auto in het economisch verkeer. Voorwaarde is dat:
Er geldt een keuze. Als het gunstiger is om in deze situaties in plaats van 35% van de waarde in het economisch verkeer, 25% van de cataloguswaarde bij te tellen, dan kun je daarvoor kiezen.
In cijfers: een auto uit 2010
Stel dat je een auto van de zaak hebt die op 30 september 2010 voor het eerst in gebruik werd genomen. Vanaf oktober 2025 bedraagt de bijtelling van deze auto volgens de youngtimerregeling die tot 1 januari 2026 gold, geen 25% van de oorspronkelijke cataloguswaarde, maar 35% van de waarde in het economisch verkeer van deze auto.
Als de oorspronkelijke cataloguswaarde € 50.000 bedroeg en de waarde in het economisch verkeer in oktober 2025 € 8.000, bedraagt de maandelijkse bijtelling vanaf oktober 2025 geen € 1.041,67 (1/12 van 25% van € 50.000), maar € 233,33 (1/12 van 35% van € 8.000).
Vanwege het verhogen van de leeftijdsgrens naar zestien jaar volgens de nieuwe regeling, zou de maandelijkse bijtelling vanaf januari tot en met september 2026 € 1.041,67 gaan bedragen. Door de overgangsregeling mag in deze maanden echter ook een bijtelling van € 233,33 worden toegepast (bij een waarde in het economisch verkeer van € 8.000). Van oktober tot en met december 2026 kun je op grond van de wettelijke bepaling ook nog profiteren van de youngtimerregeling met een maandelijkse bijtelling van € 233,33 (even uitgaande van een gelijkblijvende waarde in het economisch verkeer).
Vanaf januari 2027 bedraagt – door de verhoging van de leeftijdsgrens naar 25 jaar – je maandelijkse bijtelling wel € 1.041,67, tot je auto de leeftijd van 25 jaar bereikt.
Ander afbouwpad?
Het voorgaande is gebaseerd op de huidige wetgeving zoals deze eind 2025 door de Tweede en Eerste Kamer is aangenomen. Naar aanleiding van een aangenomen motie heeft het kabinet vier opties voor een ander afbouwpad uitgewerkt, te weten:
Bij de augustusbesluitvorming 2026 neemt het kabinet een besluit of er een ander afbouwpad komt en zo ja, welke.
Vanaf 2027 geldt een pseudo-eindheffing van 12% in de loonbelasting. Deze 12% is een werkgever verschuldigd als hij aan een werknemer vanaf 2027:
De 12% pseudo-eindheffing komt ten laste van de werkgever. Het is een extra heffing die de werkgever niet mag verhalen op de werknemer. Daarnaast blijft de bijtelling voor de auto van de zaak die ten laste van de werknemer komt, ook gewoon bestaan in 2027.
Uitzonderingen
Er is wel een aantal uitzonderingen. Een werkgever is de eindheffing namelijk niet verschuldigd als:
Er geldt een uitzondering voor incidenteel privégebruik bij overmacht en bijzondere omstandigheden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat hiervan sprake is.
Heffingsrecht in ander land
Als het heffingsrecht van een ter beschikking gestelde fossiele personenauto op grond van een belastingverdrag deels is toegewezen aan een ander land, mag deze verdeling ook worden toegepast op de pseudo-eindheffing.
Woon-werkverkeer is privé!
Wat betreft de uitzondering van geen privégebruik zit er een addertje onder het gras. Waar voor de bijtelling van de auto van de zaak het woon-werkverkeer als zakelijk wordt aangemerkt, zijn deze kilometers voor de pseudo-eindheffing privékilometers.
Dit heeft tot gevolg dat een werkgever vanaf 2027 ook de pseudo-eindheffing verschuldigd kan zijn als de werknemer de personenauto niet privé gebruikt (of maximaal 500 kilometer) en dus geen bijtelling heeft. Als die werknemer de personenauto wel voor woon-werkverkeer gebruikt, is de werkgever de pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd.
Personenauto
De pseudo-eindheffing geldt voor personenauto’s. Dit zijn voertuigen met voertuigclassificatie M1 in het civiele kentekenregister en auto’s die onder de Europese verordening zo zouden kwalificeren.
Een M1-voertuig is een motorvoertuig op vier of meer wielen, ontworpen en gebouwd voor het vervoer van personen, met maximaal negen zitplaatsen, inclusief bestuurdersstoel. Ook kampeerauto’s, personenbusjes voor zorgvervoer (ingericht met maximaal negen zitplaatsen) en lijkwagens vallen hieronder. Bestelauto’s, vrachtwagens en tractors hebben geen M1-kwalificatie en vallen dus niet onder de pseudo-eindheffing.
De staatssecretaris van Financiën heeft bevestigd dat bij gebruik van een taxi er geen sprake is van ter beschikking stelling van een auto. De werkgever is dan dus ook geen pseudo-eindheffing verschuldigd. Dit kan anders zijn als een werknemer een vaste auto met chauffeur tot zijn beschikking heeft.
Overgangsregeling tot 17 september 2030 (waarschijnlijk verlengd naar 1 januari 2031)
Personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, krijgen niet meteen vanaf 1 januari 2027 te maken met de pseudo-eindheffing. Voor deze personenauto’s geldt een overgangsregeling tot 17 september 2030. Pas vanaf die datum kan een werkgever voor die personenauto met de pseudo-eindheffing te maken krijgen.
Het kabinet wil de termijn waarbinnen de overgangsregeling geldt gaan verlengen van 17 september 2030 naar 1 januari 2031.
De overgangsregeling is gekoppeld aan de personenauto. Dus ook als een werkgever de auto na 1 januari 2027 ter beschikking stelt aan een andere werknemer dan aan wie de auto vóór 1 januari 2027 ter beschikking stond, blijft de overgangsregeling gelden.
12% van de (catalogus)waarde
De 12% pseudo-eindheffing wordt straks berekend over de cataloguswaarde van de personenauto, inclusief btw en bpm. In tegenstelling tot de bijtelling voor de auto van de zaak, wordt bij de berekening van de pseudo-eindheffing geen rekening gehouden met de eigen bijdrage van de werknemer. Is de personenauto ouder dan 25 jaar, dan wordt de 12% pseudo-eindheffing berekend over de waarde in het economisch verkeer van de personenauto.
Betaling bij aangifte loonbelasting
De pseudo-eindheffing wordt per kalendermaand berekend. De werkgever kan er echter voor kiezen om de eindheffing uiterlijk in de tweede loonaangifte van het volgende kalenderjaar te voldoen.
Over het jaar 2027 betaalt een werkgever de pseudo-eindheffing dus uiterlijk in het tweede loonaangiftetijdvak van 2028.
Besparen op de pseudo-eindheffing door de personenauto niet alle dagen voor privé ter beschikking te stellen, zal niet werken. Als de personenauto slechts een deel van een maand voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, wordt deze namelijk geacht de hele kalendermaand voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld. De pseudo-eindheffing van 12% geldt dan voor de hele kalendermaand.
Ook voor de dga, niet voor IB-ondernemer
De pseudo-eindheffing is een heffing voor werkgevers. Dit betekent dat als een bv een auto van de zaak ter beschikking stelt aan een dga, deze bv ook met de heffing te maken kan krijgen.
Een ondernemer met een eenmanszaak of in een vof zal voor zichzelf niet met de heffing te maken krijgen, maar mogelijk wel voor zijn personeel.
Anticiperen
De maatregel gaat in per 2027. Ondanks dat er een overgangsregeling geldt, is het goed om al te anticiperen op de maatregel. Dat geldt zeker als je nu of in de toekomst een leasecontract gaat afsluiten met een looptijd van vijf jaar. De overgangsregeling loopt immers tot 17 september 2030 (waarschijnlijk verlengd naar 1 januari 2031) en dat is op dit moment al over minder dan vijf jaar.
Aanpassingen in verband met knelpunten in de pseudo-eindheffing
Het kabinet wil de pseudo-eindheffing met de volgende punten aanpassen:
Voor de aanpassingen zal tijdens de voorgenomen evaluatie van de pseudo-eindheffing in 2030 expliciet worden beoordeeld of ze effectief en nog nodig zijn.
Pseudo-eindheffing bij wisseling werkgever
De pseudo-eindheffing zal er waarschijnlijk voor zorgen dat werkgevers vanaf 2027 de oude brandstofauto van nieuwe werknemers niet willen overnemen van de oude werkgever. Op dat moment eindigt namelijk het overgangsrecht omdat de auto door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking wordt gesteld. Het kabinet heeft kennisgenomen van dit punt maar wil hier geen aanpassingen op doen. Dit betekent dat de werknemer bij wisseling van werkgever waarschijnlijk vaak geconfronteerd zal worden met een afkoopsom van de leaseauto.
Het overgangsrecht blijft wel van toepassing als de auto gedurende de overgangstermijn aan een andere werknemer ter beschikking wordt gesteld.
De staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat bij fusies en overnames, waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, een uitzondering mogelijk is. Hier is geen wettelijke aanpassing voor nodig maar dit kan op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing. Dit betekent dat als de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever bij een fusie of overname, het overgangsrecht van toepassing blijft.
De bijtelling voor het privégebruik auto van een afwisselend door meerdere werknemers gebruikte bestelauto kan een werkgever afkopen door het toepassen van een eindheffing. Het bedrag van die eindheffing is in 2026 € 13 hoger dan in 2025 en bedraagt € 451 per jaar (in 2025 € 438).
Als gevolg van rechtspraak in 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:3152) zien we in de praktijk dat de Belastingdienst voor toepassing van de eindheffing van een wisselend gebruikte bestelauto als voorwaarde stelt dat het bijhouden van een rittenregistratie voor de bestelauto bezwaarlijk is. Houd er dus rekening mee dat in situaties waarin het bijhouden van een rittenregistratie in de visie van de Belastingdienst niet bezwaarlijk is, de Belastingdienst toepassing van de eindheffing niet accepteert.
Het bedrag van € 451 geldt alleen voor een afwisselend door meerdere werknemers gebruikte bestelauto. Staat een personenauto aan meerdere werknemers ter beschikking voor privégebruik? Dan kun je de bijtelling per werknemer baseren op de mate waarin de auto aan de werknemer ter beschikking staat. Staat een auto bijvoorbeeld aan twee werknemers in gelijke mate ter beschikking en gebruiken zij de auto beiden ook privé? Dan bedraagt de bijtelling bij beide werknemers 50% van de gebruikelijke bijtelling.
Stel je een fiets aan een werknemer ter beschikking die de werknemer ook privé mag gebruiken, dan moet je een bijtelling toepassen. Mag een werknemer de fiets ook voor woon-werkverkeer gebruiken, dan wordt deze fiets geacht in ieder geval ook voor privégebruik ter beschikking te staan. Per kalenderjaar geldt bij privégebruik een bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs van de fiets.
Over deze bijtelling moet je loonbelasting/premies volksverzekeringen inhouden, premies werknemersverzekeringen betalen en werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden.
Je kunt er ook voor kiezen om de bijtelling aan te wijzen in de vrije ruimte, mits aan de gebruikelijkheidstoets wordt voldaan. Als uiteindelijk blijkt dat je de vrije ruimte in een jaar overschrijdt, dan betaal je als werkgever 80% eindheffing over de overschrijding. Houd hier rekening mee bij de keuze om de bijtelling wel of niet aan te wijzen in de vrije ruimte.
Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 hoeft er vanaf 1 januari 2026 geen bijtelling meer toegepast te worden voor fietsen die niet of slechts incidenteel (niet meer dan 10% van de tijd) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer worden gestald. Dit geldt bijvoorbeeld voor deel- en hubfietsen, maar ook voor andere fietsen die niet meer dan 10% van de tijd bij het woon- of verblijfadres worden gestald.
Heeft de werknemer niet de beschikkingsmacht over de fiets in de periode dat deze bij zijn woon- of verblijfadres is, dan is in ieder geval geen sprake van stallen van de fiets. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een deelfiets in de app is ingeleverd.
De nieuwe regels hebben terugwerkende kracht tot 1 januari 2020. Heb je ten onrechte bijtelling toegepast vanaf die datum, dan kun je vanaf 1 januari 2026 de afgedragen belasting terugvragen. Je moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de fiets voor niet meer dan 10% van de tijd thuis gestald was. Bovendien moet de fiets ook alleen voor (een deel van) het woon-werkverkeer zijn en niet privé zijn gebruikt.
Stel je meer fietsen ter beschikking aan één werknemer die de werknemer ook privé mag gebruiken, dan bedraagt de bijtelling niet alleen voor de eerste fiets, maar ook voor de andere fietsen 7% van de consumentenadviesprijzen van de betreffende fietsen. Dit volgt uit de wettelijke bepalingen, en Lease-a-Bike meldde begin juni 2026 op zijn website dat de Belastingdienst deze uitwerking heeft bevestigd.
De reiskostenvergoeding voor zakelijke reiskosten met eigen vervoer, waaronder woon-werkverkeer, bedroeg in 2026 in eerste instantie € 0,23/km (gelijk aan 2025). Vanaf 22 mei 2026 bestaat echter de mogelijkheid om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 rekening te houden met een belastingvrij bedrag voor reiskosten van € 0,25 per kilometer.
Het is niet relevant van welk vervoermiddel de werknemer gebruikmaakt. De vergoeding geldt dan ook voor gemaakte reizen per auto, fiets, lopend of met het openbaar vervoer.
Werkgevers die gebruikmaken van de terugwerkende kracht mogen met correctieberichten de verhoging van de onbelaste reiskostenvergoeding verwerken in de al ingediende aangiften van 2026.
De verhoging naar € 0,25 is nu nog opgenomen in een beleidsbesluit, maar op Prinsjesdag 2026 zal een en ander in een wetsvoorstel worden opgenomen. De verhoging geldt niet alleen voor 2026, maar is structureel. Dit betekent dat de € 0,25 ook na 2026 nog van toepassing is.
Werkgevers die over voldoende parkeerruimte in de omgeving van het bedrijf beschikken, stellen hun werknemers soms in staat om bijvoorbeeld tijdens de vakantie hun auto daar te stallen. Is dergelijke parkeerruimte, dus niet op het bedrijfsterrein zelf, dan belast of niet?
Openbaar parkeren
De Belastingdienst is in een kennisgroepstandpunt nader ingegaan op deze situatie aan de hand van een casus. Tussen het kantoor van een werkgever en de parkeerplaatsen bevindt zich een openbare ruimte. Ook derden kunnen van de parkeergelegenheid gebruikmaken. Parkeren daar kost € 16 per dag.
Geen nihilwaardering
De Belastingdienst stelt zich op het standpunt dat parkeren van de eigen auto tijdens een vakantie in deze situatie belast is. De parkeergelegenheid valt – op grond van een bijzondere regeling – onder het begrip werkplek. Dat betekent dat de nihilwaardering geldt.
Maar, zo oordeelt de kennisgroep, de nihilwaardering geldt alleen voor voorzieningen die de werkgever “in het belang van het arbeidsproces of het bedrijfsproces noodzakelijk vindt of vanwege wettelijke verplichtingen moet maken”. Bovendien moet het gaan om voorzieningen die naar algemene maatschappelijke opvattingen niet als loon worden ervaren, ook al kan sprake zijn van enig privévoordeel. Langdurig parkeren anders dan voor het werk valt hier niet onder, aldus de kennisgroep, zodat de nihilwaardering niet van toepassing is.
Ruimere uitleg Handboek Loonheffingen 2025
Het Handboek Loonheffingen 2025 hanteerde echter een ruimere uitleg en stelde dat het parkeren onbelast is, als de werknemer de werkgever met succes aansprakelijk kan stellen. De Belastingdienst was van mening dat werkgevers hieraan het vertrouwen konden ontlenen dat parkeren onder genoemde omstandigheden onbelast was.
Overgangsregeling!
Vanwege deze onduidelijkheid hanteerde de Belastingdienst daarom een overgangsperiode voor werkgevers die vóór het onderhavige standpunt van de Belastingdienst, dus vóór 9 oktober 2025, op basis van de tekst van het Handboek Loonheffingen 2025 parkeergelegenheid in de omgeving van de werkplek ter beschikking hebben gesteld aan hun werknemers. Tot de datum van publicatie van het Handboek Loonheffingen 2026 (dat was op 19 maart 2026, zie ook paragraaf 23.10.1) bleef in die gevallen het parkeren van de privéauto tijdens vakanties onbelast.
Spelen bij jou soortgelijke omstandigheden? Je werknemer zal vanaf de publicatie van het Handboek Loonheffingen 2026 belasting moeten betalen over het voordeel. Je kunt dit voordeel uiteraard ook bruteren of onderbrengen in de werkkostenregeling als dit voldoet aan het gebruikelijkheidscriterium.
Bedrijven met 100 tot 250 werknemers worden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 uitgezonderd van de verplichting om over het zakelijke verkeer en het woon-werkverkeer van werknemers te rapporteren. Dat staat in een ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dat eind april 2026 aan de Tweede Kamer is aangeboden.
Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM)
Vanaf 1 juli 2024 zijn werkgevers met 100 of meer werknemers verplicht te rapporteren over het zakelijk verkeer én het woon-werkverkeer van hun werknemers. Deze verplichting maakt onderdeel uit van de Omgevingswet van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en staat bekend onder de naam ‘Rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit’ (afgekort WPM).
Welke gegevens?
Bedrijven die onder deze rapportageverplichting vallen, moeten veel gegevens verzamelen. Denk hierbij aan het totaalaantal kilometers dat de werknemers afleggen voor zakelijk en woon-werkverkeer en het jaartotaal aan kilometers, uitgesplitst naar soort vervoermiddel en brandstoftype.
De gegevens over 2025 moeten uiterlijk 30 juni 2026 ingeleverd zijn.
Verhoging grens naar 250 of meer werknemers
Medio april 2025 nam de Tweede Kamer een motie aan om de WPM af te schaffen voor bedrijven tot 250 werknemers. In november 2025 werd het voornemen tot afschaffing aangekondigd. In februari 2026 is een besluit ter internetconsultatie aangeboden waarin de rapportageverplichting voor bedrijven tot 250 werknemers wordt afgeschaft. Eind april 2026 bood de staatssecretaris een ontwerpbesluit aan de Tweede Kamer aan waarin dit geregeld wordt.
Als het ontwerpbesluit ongewijzigd wordt vastgesteld, gaat de afschaffing in met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026. Werkgevers met minder dan 250 werknemers hoeven dan over het jaar 2026 niet meer te rapporteren. Deze werkgevers moeten nog wel uiterlijk 30 juni 2026 over het jaar 2025 rapporteren.
Kijk voor meer informatie over de rapportageverplichting op RVO.nl