Omnyacc

1 juli 2026

Update lonenspecial 2026: Zzp’er

Huidige wetgeving en jurisprudentie arbeidsrelatie

Voor een werkgever, ofwel opdrachtgever, is het van belang om na te gaan of er wel sprake is van echte zelfstandigheid of dat er sprake is van schijnzelfstandigheid. Een zzp’er die achteraf toch werknemer blijkt te zijn, kan voor de opdrachtgever namelijk flink in de papieren lopen.

Werknemer ingevolge de wet
Om van een werknemer te kunnen spreken, moet ingevolge de wet (artikel 7:610 BW):

  • sprake zijn van de bevoegdheid van de werkgever om aanwijzingen en instructies te geven (gezagsverhouding);
  • de arbeid persoonlijk worden verricht;
  • de werkgever als tegenprestatie loon betalen.
  • de aard en duur van de werkzaamheden;
  • de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald;
  • de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht;
  • het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren;
  • de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen;
  • de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd;
  • de hoogte van deze beloningen;
  • de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt;
  • de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen (extern ondernemerschap).
  • de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals de aanschaf en exploitatie van hun voertuig);
  • de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werkten;
  • de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten;
  • het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid.

Rechtspraak: Deliveroo

In het Deliveroo-arrest heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat de rechter voor de gezagsverhouding ook mag kijken of het werk dat wordt verricht ‘organisatorisch is ingebed’ in de organisatie en daarmee behoort tot de normale bedrijfsarbeid van de onderneming van de werkgever. Dat betreft echter maar een van de in aanmerking te nemen omstandigheden. Er moet holistisch worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. Van belang kunnen onder meer zijn:

Rechtspraak Uber

De Hoge Raad heeft in bovengenoemd Deliveroo-arrest geen rangorde aangebracht tussen de diverse gezichtspunten. Inmiddels heeft de Hoge Raad in de Uber-zaak geantwoord op prejudiciële vragen die waren gesteld door Gerechtshof Amsterdam over het gezichtspunt ‘ondernemerschap’. In reactie daarop oordeelde de Hoge Raad dat niet één aspect bepalend is. Dit betekent bijvoorbeeld dat als iemand zich vrijelijk mag laten vervangen door een ander, wat duidt op zelfstandigheid, het nog steeds een arbeidsovereenkomst kan zijn vanwege alle andere aspecten.

De Hoge Raad antwoordt in de Uber-zaak ook dat dit in de praktijk kan betekenen dat hetzelfde werk, voor dezelfde opdrachtgever, voor iemand met ‘ondernemerschap’ geen arbeidsovereenkomst is, en voor iemand zonder ‘ondernemerschap’ wel.

Het begrip ‘ondernemerschap’ ziet, zo antwoordt de Hoge Raad, op de algemene (ondernemers)situatie van de werkende. Het beperkt zich dus niet tot specifieke omstandigheden bij een opdracht, maar kan ook betrekking hebben op omstandigheden buiten de specifieke verhouding tussen de werkende en zijn opdrachtgever.

In vervolg op het antwoord op de prejudiciële vragen door de Hoge Raad oordeelde Gerechtshof Amsterdam op 27 januari 2026 dat de zes chauffeurs die zich in hoger beroep aan de zijde van Uber hebben geschaard niet als werknemer, maar als zelfstandig ondernemer moeten worden aangemerkt. Daarbij achtte het gerechtshof van belang onder meer relevante factoren als:

Het gerechtshof overwoog tevens dat de mogelijkheid bestaat dat andere individuele chauffeurs van Uber wel werken op basis van een arbeidsovereenkomst. In de procedure waar het om ging, kon het gerechtshof echter niet vaststellen dat dit voor individuele chauffeurs of voldoende afgebakende groepen geldt. Reden waarom de collectieve vorderingen van het FNV zijn afgewezen.

Rechtspraak Helpling
In de Helpling-zaak kon een schoonmaker zich via de website van Helpling aanmelden voor schoonmaakwerkzaamheden. De schoonmaker kon daarbij zelf aangeven tegen welk uurtarief hij wilde werken. Helpling liet vervolgens aan huishoudens die op zoek waren naar een schoonmaker via het platform zien welke schoonmakers beschikbaar waren. Het huishouden deed vervolgens een boekingsverzoek, waarna bij acceptatie hiervan door de schoonmaker de boeking feitelijk tot stand kwam. Helpling verzorgde via een speciale betaaldienst de betalingen aan de schoonmakers en rekende een provisie van minimaal 23% en maximaal 32%. Er golden voor de huishoudens en voor de schoonmakers verschillende door Helpling opgestelde algemene voorwaarden, waarmee ze akkoord moesten gaan.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat sprake was van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers. De advocaat-generaal oordeelde nog dat tussen Helpling en de schoonmakers een reguliere arbeidsovereenkomst bestond, omdat particuliere huishoudens niet zouden kunnen optreden als inlener. De Hoge Raad is het daar niet mee eens. Noch uit de wetsgeschiedenis, noch uit het stelsel van de wet volgt dat de terbeschikkingstelling van een uitzendkracht uitsluitend kan plaatsvinden in het kader van het beroep of bedrijf van de inlener. Er is verder voldaan aan de criteria van een uitzendovereenkomst, namelijk dat de huishoudens als inlenende partij het toezicht en de leiding uitoefenden en dat Helpling de formele gezagsrelatie had en de betalingen beheerde. Dit laatste maakt dat er ook geen sprake was van een reguliere arbeidsovereenkomst tussen de schoonmakers en de huishoudens.

Rechtspraak Temper
In de Temper-zaak kunnen opdrachtnemers en opdrachtgevers via het platform Temper online afspraken met elkaar maken over werkzaamheden. De opdrachtnemer sluit daarvoor eerste een gebruikersovereenkomst opdrachtnemer met Temper. Temper faciliteert vervolgens het digitale platform, automatische facturatie namens de zzp’er en factoring en uitbetaling door een onafhankelijke financieringsmaatschappij (Finqle B.V.).
Opdrachtnemers zijn verplicht om een btw-nummer te verschaffen aan Temper. De opdrachtgever is verplicht voor opdrachten die via het Temper platform zijn ontstaan € 4,90 per gewerkt uur aan Temper te voldoen.

Gerechtshof Amsterdam toetst de Temper-zaak aan de criteria uit het Deliveroo-arrest en komt tot het oordeel dat tussen de opdrachtnemer en Temper sprake is van een uitzendovereenkomst. Het gerechtshof komt tot deze conclusie onder meer aan de hand van het volgende. Temper is nauw betrokken bij de wijze waarop de contractuele regeling van de driehoeksverhouding tussen Temper, de opdrachtnemer en de opdrachtgever tot stand komt. Maar ook bij de wijze waarop de beloning wordt bepaald en uitgekeerd en de hoogte van deze beloningen. Temper kan dan ook niet louter worden gekarakteriseerd als een bemiddelingssite. Het gerechtshof komt ook tot de conclusie dat de opdrachtnemer niet minder of andere instructies krijgt dan een werknemer in dienst van de opdrachtgever.

Rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst

Op 7 juli 2025 werd het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) bij de Tweede Kamer ingediend. Het oorspronkelijke wetsvoorstel verduidelijkte de criteria over wanneer iemand werknemer is en wanneer iemand als zelfstandige werkt en introduceerde een rechtsvermoeden. Het kabinet heeft het verduidelijkingsdeel uit de Wet Vbar geschrapt en hoopt daarmee meer rust op de markt te brengen.

Op 21 april 2026 heeft de Tweede Kamer wel ingestemd met het wetsvoorstel over het invoeren van een rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief van minder dan € 38. Na inwerkingtreding van de wet wordt de persoon die voor een ander arbeid verricht tegen een beloning van minder dan € 38 per uur, vermoed een arbeidsovereenkomst te hebben bij die ander. Het betreft een weerlegbaar rechtsvermoeden. Dit betekent dat opdrachtgevers het rechtsvermoeden kunnen tegenspreken door aan te tonen dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Slaagt de opdrachtgever hier niet in, dan is er sprake van schijnzelfstandigheid en bestaat er recht op de bescherming die het arbeidsrecht biedt, zoals recht op doorbetaalde vakantie en ontslagbescherming.

Het rechtsvermoeden heeft alleen een civielrechtelijke werking. Het UWV, de Belastingdienst en de Arbeidsinspectie gaan niet zelfstandig dit rechtsvermoeden toetsen, maar houden hun eigen onderzoeksplicht op basis van arbeid, loon en gezagsverhouding (zoals opgenomen in artikel 7:610 BW).

De Tweede Kamer heeft nog een belangrijk amendement aangenomen. Het was de bedoeling om genoemd uurtarief twee keer per jaar aan te passen in lijn met de aanpassingen van het wettelijk minimumloon. Maar door het amendement zal de indexatie van het uurtarief echter plaatsvinden aan de hand van de cao-loonontwikkeling.

Let op!

De beoogde invoeringsdatum van de wet is uiterlijk 31 december 2026. De wet is op 16 juni 2026 door de Eerste Kamer aangenomen. Invoering van de wet is cruciaal voor het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan (HVP), gekoppeld aan EU-steun van in totaal ongeveer € 5,4 miljard. Daarvoor moet de wet uiterlijk op 31 augustus 2026 in het Staatsblad gepubliceerd zijn. Het niet-tijdig aannemen van de Vbar kan leiden tot verlies van zo’n € 600 miljoen aan Europees geld.

Het rechtsvermoeden heeft onmiddellijke werking. Dit betekent dat het rechtsvermoeden van toepassing is op elke arbeidsrelatie die bestaat op de dag van inwerkingtreding van de wet en op elke arbeidsrelatie die op die dag of na die dag ingaat. De regering verwacht overigens dat het rechtsvermoeden een preventieve werking heeft.

Initiatiefwetsvoorstel Zelfstandigenwet

Een nieuw initiatiefwetsvoorstel met betrekking tot de positie van zelfstandigen lag van 26 mei tot en met 23 juni 2025 ter internetconsultatie. Het voorstel moet een einde maken aan de onduidelijkheid en onrust rond de status van zzp’ers. Verder moet de nieuwe wet beter aansluiten bij de moderne arbeidsmarkt – wil je wel of niet als zzp’er gaan werken – door duidelijkheid te geven over hun status: zijn ze zelfstandige of zijn ze werknemer?

Zelfstandigentoets en werkrelatietoets

In het wetsvoorstel wordt een duidelijk wettelijk toetsingskader voorgesteld om te bepalen wanneer als zelfstandige kan worden gewerkt. Er komen twee toetsen waar een zelfstandige aan moet voldoen om als zelfstandige te werken: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Hierdoor wordt duidelijkheid gecreëerd, waardoor partijen achteraf niet met naheffingen of boetes geconfronteerd worden.

Voorwaarden zelfstandigentoets

De voorwaarden uit de zelfstandigentoets zijn:

  • Er is sprake van werken voor eigen rekening en risico.
  • De werkende voert een deugdelijke administratie.
  • De werkende gedraagt zich in het economisch verkeer als zelfstandig ondernemer.
  • De werkende heeft een adequate voorziening getroffen tegen het risico van arbeidsongeschiktheid (zelfstandigen gaan zelf over de invulling hiervan).
  • De werkende heeft een proportionele bijdrage voor een voorziening bij pensionering. Het is aan zelfstandigen zelf om dit op hun manier in te vullen.

Voorwaarden werkrelatietoets
De voorwaarden uit de werkrelatietoets zijn:

  • Er is sprake van vrijheid van organisatie van werk.
  • Er is sprake van vrijheid van organisatie van de werktijd.
  • Er is geen sprake van hiërarchische controle.
  • De partijen hebben de bedoeling om anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst arbeid te verrichten.

Rechtsvermoeden op sectoraal niveau

Daarnaast introduceert het wetsvoorstel nog de mogelijkheid om op sectoraal niveau een rechtsvermoeden te introduceren voor sectoren met een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid. Uiteraard blijven hiernaast de feitelijke omstandigheden relevant.

Toetsingscommissie

In het wetsvoorstel is een aparte toetsingscommissie opgenomen die werkrelaties waar nodig kan beoordelen, om zodoende duidelijkheid aan de markt te geven. De uitgevoerde beoordelingen zijn openbaar en bindend voor handhavende instanties, zoals de Belastingdienst.

Let op!

Het kabinet wil zo snel mogelijk aan de slag met deze Zelfstandigenwet, zodat zelfstandigen de erkenning krijgen die ze verdienen. Het ter internetconsultatie voorgelegde initiatiefwetsvoorstel zal als basis dienen. Voor de zomer zal de Tweede Kamer over de vervolgstappen worden geïnformeerd.

Gedeeltelijke zachte landing handhaving schijnzelfstandigheid vanaf 2026

De zachte landing voor de handhaving van schijnzelfstandigheid is in 2026 gedeeltelijk verlengd. Nadat het kabinet eerdere aangenomen moties hierover niet wilde uitvoeren, ging het kabinet op 19 december 2025 toch deels overstag.

Handhavingsmoratorium in 2024

In 2024 gold nog een handhavingsmoratorium. Dit betekende dat de Belastingdienst in 2024 bij constatering van een dienstbetrekking alleen correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en eventueel boetes oplegde bij kwaadwillendheid. In alle andere gevallen gaf de Belastingdienst alleen een aanwijzing, die de werkgever moest opvolgen.

Handhaving in 2025

Met ingang van 1 januari 2025 werd het handhavingsmoratorium arbeidsrelaties volledig opgeheven. Dit betekende dat de Belastingdienst vanaf 1 januari 2025 bij een onjuiste kwalificatie van een arbeidsrelatie weer volledig ging handhaven.

De Belastingdienst startte in 2025 in principe met een bedrijfsbezoek, waarbij met de opdrachtgever een gesprek gevoerd werd over de inhuur van zelfstandigen en extern personeel. Waar nodig werd de opdrachtgever gewezen op aandacht voor de kwalificatie van de arbeidsrelaties en mogelijke risico’s op schijnzelfstandigheid. Op die manier werd de opdrachtgever gewaarschuwd. De Belastingdienst kon overigens (alsnog) ook voor een boekenonderzoek kiezen, bijvoorbeeld als de inschatting was dat er grote risico’s waren of als de opdrachtgever werkte of bleef werken met schijnzelfstandigen. De Belastingdienst kon bij zo’n boekenonderzoek in alle gevallen wel weer correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen opleggen. De Belastingdienst kon daarbij alleen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025 corrigeren, tenzij sprake was van kwaadwillendheid.

Over het kalenderjaar 2025 werden aan werkgevers en werkenden nog geen verzuim- en vergrijpboetes opgelegd als zij konden bewijzen dat zij stappen zetten tegen schijnzelfstandigheid. Er was derhalve sprake van een zachte landing. De Belastingdienst had een toelichting uitgebracht, waarbij werd aangegeven hoe de beoordeling van de arbeidsrelatie zou plaatsvinden. Het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2025 beschreef de wijze waarop de Belastingdienst in 2025 handhaafde.

Let op!

De Belastingdienst keurt vanaf 6 september 2024 geen nieuwe modelovereenkomsten meer goed. Alle lopende goedgekeurde modelovereenkomsten zijn wel automatisch tot eind 2029 verlengd. De Belastingdienst kan een modelovereenkomst echter intrekken als deze niet meer voldoet aan wet- en regelgeving en jurisprudentie, of als blijkt dat niet volgens de voorwaarden van de modelovereenkomst gewerkt wordt of kan worden.

Handhaving vanaf 2026

Met ingang van 1 januari 2026 zouden het handhavingsmoratorium arbeidsrelaties en ook de zachte landing volledig opgeheven worden.
Het kabinet heeft eind 2025 echter toch gekozen voor een gedeeltelijke verlenging van de zachte landing. Een volledige verlenging vond het kabinet ongewenst.

De gedeeltelijke verlenging betekent dat de Belastingdienst ook in 2026 in principe start met een bedrijfsbezoek in plaats van meteen met een belastingcontrole. De ondernemer krijgt daarna in principe de mogelijkheid om zijn bedrijfsvoering te verbeteren.

Let op!

Het starten met een bedrijfsbezoek betekent niet dat de Belastingdienst niet alsnog een belastingcontrole kan starten na het bedrijfsbezoek. Die mogelijkheid had de Belastingdienst in 2025 al en zal ook in 2026 mogelijk zijn.

De Belastingdienst kan in 2026 – net als in 2025 – wel naheffingen opleggen. Als sprake is van (evidente) schijnzelfstandigheid, heeft de Belastingdienst dus de mogelijkheid om te handelen. Waar in 2025 nog geen vergrijpboetes opgelegd konden worden, kan dat vanaf 2026 wel. De verlenging van de zachte landing geldt dus niet voor vergrijpboetes. De Belastingdienst kan een vergrijpboete opleggen als sprake is van (voorwaardelijke) opzet of grove schuld. Het kabinet vindt het onwenselijk om (voorwaardelijke) opzet of grove schuld nog langer onbestraft te laten en wil de zachte landing op dit punt daarom niet verlengen.

Let op!

De Belastingdienst kan in 2026 ook weer kiezen of ze een belastingcontrole doet over een kalenderjaar of over een recent aangiftetijdvak.

De verlenging van de zachte landing geldt nog wel voor verzuimboetes. De Belastingdienst legt dus in 2026 nog geen verzuimboetes op.

Let op!

De verlenging van de zachte landing geldt alleen in 2026. Vanaf 2027 zal de Belastingdienst dus niet meer starten met een bedrijfsbezoek en ook verzuimboetes opleggen.

In het Handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 wordt beschreven hoe de Belastingdienst in 2026 gaat handhaven.

Vooroverleg

De Belastingdienst heeft het formulier Verzoek vooroverleg beoordeling arbeidsrelatie gepubliceerd. Je kunt dit formulier gebruiken als je wil dat de Belastingdienst een arbeidsrelatie beoordeelt.

Gebruik daarbij ook de Checklist vooroverleg beoordeling arbeidsrelatie. In deze checklist vind je welke informatie je minimaal moet vermelden in je verzoek.

Risico opdrachtgever/werkgever
Als achteraf bij een herkwalificatie van de arbeidsrelatie sprake blijkt te zijn van een arbeidsovereenkomst, dan loopt de opdrachtgever onder meer het risico van het betalen van (achterstallige) loonbelasting, verlof, vakantietoeslag, premies werknemersverzekeringen en het werkgeversdeel in de pensioenpremie. Daarnaast kan vanaf 2026 en bij kwaadwillendheid al eerder een boete worden opgelegd.

Verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Het wetsvoorstel Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ) is naar de Tweede Kamer gestuurd. Aanleiding van het wetsvoorstel is dat ongeveer 75% van de zelfstandigen op dit moment niet verzekerd is tegen arbeidsongeschiktheid. Dit is over het algemeen omdat ze de kosten te hoog vinden, maar een deel van de zelfstandigen kan zich door leeftijd of ziekte ook niet verzekeren. De bedoeling van de BAZ is onder meer dat zelfstandigen meer zekerheid krijgen over hun inkomen.

De BAZ betreft een verplichte publieke verzekering tegen inkomensverlies bij langdurige arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen. De BAZ geldt voor ondernemers in de inkomstenbelasting (IB-ondernemers), met of zonder personeel, die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Het gaat dan concreet om ondernemers die werken vanuit een eenmanszaak, vof of maatschap.

Let op!

De BAZ geldt niet voor dga’s van een bv, meewerkende partners, mensen die resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) genieten, AOW-gerechtigden en gemoedsbezwaarden.

Opt-out
Zelfstandigen hoeven niet deel te nemen aan de BAZ. Ze kunnen namelijk kiezen voor een opt-out. Ze moeten dan wel een private (commerciële) verzekering hebben die aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Dat betekent dat een private verzekering onder meer een dekking moet bieden tot de AOW-leeftijd, een uitkering van minimaal 70% van de winst (waarbij de winst maximaal 142,86% van het wettelijk minimumloon bedraagt) moet geven, een wachttijd moet hebben van maximaal 104 weken, periodiek uitkeert (geen eenmalige uitkering) en een premie moet hebben die minimaal gelijk is aan de publieke premie.

Let op!

Als een zelfstandige kiest voor een private verzekering via de zogenaamde opt-out, moet hij toch nog een premie betalen, de zogenaamde stabiliteitsbijdrage. Dit betreft een vast bedrag per privaat verzekerde die afgedragen wordt door de verzekeraar. De verwachting is dat deze in de premie voor de verzekerde wordt verwerkt en ongeveer € 25 tot € 35 per maand bedraagt.

Overgangsrecht

Voor zelfstandigen die al een private arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben, gaat er onder voorwaarden overgangsrecht gelden. De zelfstandige hoeft dan niet verplicht aan de BAZ deel te nemen. De stabiliteitsbijdrage is wel van toepassing.

Premie BAZ en uitkering

De premie voor de BAZ bedraagt 5,4% van de winst uit onderneming. Er geldt een maximum van circa € 171 bruto aan te betalen premie per maand. Deze bedragen worden periodiek aangepast.

De hoogte van de BAZ-uitkering is ook afhankelijk van de winst uit onderneming en bedraagt 70% van de gemiddelde winst, maar maximaal het wettelijk minimumloon.

De BAZ hanteert een absoluut criterium. Iemand is arbeidsongeschikt als hij of zij door ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling niet meer in staat is om met arbeid ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen.
Het feitelijk verdiende inkomen is dus niet van belang. Het UWV gaat kijken of iemand zogeheten basisfuncties kan uitvoeren. Het gaat dan om functies die op de Nederlandse arbeidsmarkt voorkomen met een relatief lage belasting, op of rond minimumloonniveau. Denk hierbij aan eenvoudig administratief werk of lichte productiewerkzaamheden. Lukt het om zo’n functie uit te voeren, dan is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid.

Let op!

Er geldt een wachttijd van twee jaar voordat eventueel tot uitkering wordt overgegaan.

Vervolg

Het kabinet wil de BAZ snel door het parlement loodsen. Dit hangt samen met de deadline van 31 augustus 2026 in verband met het EU Herstel- en Veerkrachtplan en de samenhang met de Zelfstandigenwet, waarin een arbeidsongeschiktheidsverzekering een voorwaarde wordt voor het werken als zelfstandige. Het is de verwachting echter dat de BAZ niet eerder dan in 2030 wordt ingevoerd.

Zzp’er vrijwillig bij pensioenfonds

Zzp’ers kunnen zich mogelijk vrijwillig aansluiten bij een pensioenfonds. Dit is een van de afspraken die in de Wet toekomst pensioenen staat.

Pensioenakkoord

In de Wet toekomst pensioenen (Wtp) staan de afspraken uit het Pensioenakkoord. Met de inwerkingtreding van deze wet op 1 juli 2023 is voor zzp’ers ook de mogelijkheid geïntroduceerd om zich vrijwillig aan te sluiten bij een pensioenfonds.

Voorwaarden pensioenfonds

Het moet wel gaan om een pensioenfonds in de branche waarin de zzp’er werkt. Verder moet het pensioenfonds ook de mogelijkheid bieden tot vrijwillige aansluiting. Informeer daarom bij het pensioenfonds of deze mogelijkheid bij hen bestaat.

Let op!

Voor 1 juli 2023 konden werknemers zich bij uitdiensttreding al, onder voorwaarden, vrijwillig aansluiten bij het pensioenfonds van hun ex-werkgever. Deze mogelijkheid bestaat nog steeds.

Aftrek in inkomstenbelasting

De zzp’ers die van deze mogelijkheid gebruikmaken, kunnen de aan het pensioenfonds betaalde premies aftrekken in de aangifte inkomstenbelasting.

Let op!

Het is goed om te weten dat het om een experiment gaat. Wordt het experiment niet voortgezet of omgezet in een definitieve regeling, dan kan de zzp’er het geld bij het pensioenfonds laten staan of opnemen en onderbrengen bij een bank of verzekeraar.

Verplichte pensioenregeling

Overigens geldt in bepaalde beroepsgroepen en bedrijfstakken voor ondernemers een verplichting om deel te nemen aan de pensioenregeling. Dit bestaat al langer en dus niet pas vanaf de inwerkingtreding van de Wtp. Die verplichting geldt voor ondernemers met een schildersbedrijf, stukadoorsbedrijf, glaszetbedrijf, afwerkingsbedrijf, afbouwbedrijf, natuursteenbedrijf of een terrazzo- of vloerenbedrijf.
Verder geldt die verplichting voor ondernemers die het beroep uitoefenen van apotheker, fysiotherapeut, huisarts, verloskundige, medisch specialist, dierenarts, notaris of kandidaat-notaris, loods of roeier in het Rotterdamse Havengebied.

Betalingen aan natuurlijke personen opgeven aan Belastingdienst

Inhoudingsplichtigen moeten vóór 1 februari 2027 de in 2026 aan natuurlijke personen betaalde bedragen aan de Belastingdienst doorgeven. Dat geldt niet als die natuurlijke personen bij de inhoudingsplichtige in dienstbetrekking zijn of aan hem een factuur met btw uitreiken.

Opgaaf Uitbetaling bedragen aan derden (opgaaf UBD)
Deze verplichting staat bekend onder de naam ‘Opgaaf Uitbetaling bedragen aan derden’ ofwel opgaaf UBD. Het betekent dat alle inhoudingsplichtigen (dat zijn (rechts)personen met een loonheffingennummer) en bepaalde collectieve beheersorganisaties uit eigen beweging aan natuurlijke personen betaalde bedragen moeten doorgeven aan de Belastingdienst. Ze krijgen hier dus geen uitnodiging voor.

Let op!

De verplichting geldt ook als je geen werknemers meer in dienst hebt, maar nog wel beschikt over een loonheffingennummer.

Uitzonderingen
De opgaaf UBD voor betalingen aan natuurlijke personen geldt alleen als die betaling betrekking heeft op door hen verrichte werkzaamheden en diensten. Er zijn uitzonderingen:

  • Betalingen die je doet aan een natuurlijke persoon die werknemer bij je is, hoef je niet door te geven.
  • Betalingen die je doet aan een natuurlijke persoon die onder de zogenaamde vrijwilligersregeling valt (dat wil onder meer zeggen dat de betaling maximaal € 220 per maand en € 2.200 per jaar is in 2026).
  • Reikt de natuurlijke persoon voor de werkzaamheden een factuur met btw uit, dan hoef je ook geen opgaaf UBD te doen.
  • naam, adres, bsn en geboortedatum van de natuurlijke persoon;
  • de in 2026 betaalde bedragen, inclusief eventuele kostenvergoedingen aan de natuurlijke persoon;
  • de datum waarop je de betaling deed.

Wel opgaaf UBD bij btw-vrijstelling, btw verlegd en KOR
Een ondernemer – een natuurlijke persoon – die btw-vrijgestelde werkzaamheden verricht voor jou, is niet uitgezonderd van de opgaaf UBD. Hoewel deze ondernemer misschien een factuur uitreikt, is op deze factuur geen btw vermeld. Hetzelfde geldt voor een natuurlijke persoon die de KOR toepast of de btw naar jou verlegt. Ook voor betalingen aan deze natuurlijke personen moet je een opgaaf UBD doen.

Wat geef je door?
Je doet de opgaaf UBD digitaal. Je vermeldt hierbij:

Let op!

Doe je meerdere betalingen in 2026 aan één natuurlijke persoon, dan mag je die betalingen ook bij elkaar optellen. Als datum geef je dan op de datum van de laatste uitbetaling in 2026.

Let op!

Niet alleen betalingen in geld, ook betalingen in natura moet je doorgeven.

Uiterlijk 31 januari 2027
De opgaaf UBD 2026 moet uiterlijk 31 januari 2027 bij de Belastingdienst binnen zijn. Ben je geen inhoudingsplichtige voor de loonheffingen of een collectieve beheersorganisatie, dan hoef je dit alleen te doen als de Belastingdienst daar specifiek om vraagt.

Let op!

Betaal je een natuurlijke persoon begin 2027 voor in 2026 verrichte werkzaamheden en diensten, dan neem je deze betaling mee in de opgaaf UBD 2027, die je uiterlijk 31 januari 2028 moet indienen.

Speciaal voor jou

UITGELICHT

Update lonenspecial 2026: Gebruikelijk loon en vrijwilligersvergoeding
Het normbedrag voor het gebruikelijk loon is in 2026 € 2.000 hoger dan het normbedrag in 2025 en bedraagt € 58.000 per jaar. Bij het vaststellen van de hoogte van het gebruikelijk loon voor een dga en zijn meewerkende partner moet uitgegaan worden van het hoogste van de volgende bedragen:
Lees verder
arrow right
Update lonenspecial 2026: Werkkostenregeling
Via de werkkostenregeling kan een werkgever zijn personeel onbelast allerlei zaken vergoeden en verstrekken. Blijft de werkgever in een jaar binnen de zogenaamde vrije ruimte, dan betaalt ook de werkgever geen belasting. Overschrijdt hij de vrije ruimte, dan betaalt hij 80% belasting via de eindheffing. Wel moet rekening gehouden worden met de gebruikelijkheidstoets.
Lees verder
arrow right
Update lonenspecial 2026: Vervoer
De bijtelling voor nieuwe auto’s met een CO2-uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer verandert in 2026 niet. Deze blijft, net als in eerdere jaren, gehandhaafd op 22%.
Lees verder
arrow right
Update lonenspecial 2026: Bijlagen
Bekijk alle bijlagen die bij de diverse artikelen van de lonenspecial horen.
Lees verder
arrow right
Update lonenspecial 2026: Internationaal
De expatregeling (voorheen: 30%-regeling) is een fiscale regeling waarbij, onder strikte voorwaarden, in 2026 maximaal 30% van het salaris belastingvrij mag worden uitbetaald aan personeel dat uit het buitenland is aangetrokken. Dit personeel kampt nogal eens met extra kosten, de zogenoemde extraterritoriale kosten. Vanaf 2027 bedraagt het percentage 27% en worden de salarisnormen verhoogd.
Lees verder
arrow right
Update lonenspecial 2026: Pensioenen
De Wet toekomst pensioenen (Wtp) brengt ingrijpende veranderingen met zich mee voor werkgevers, werknemers en pensioenregelingen. Tijdens de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel moeten werkgevers belangrijke keuzes maken over onder meer de pensioenpremie, het partnerpensioen, compensatieregelingen en de communicatie richting medewerkers. Op deze pagina lees je welke wijzigingen van belang zijn, welke deadlines gelden en waar je als werkgever rekening mee moet houden om je pensioenregeling tijdig en correct aan te passen.
Lees verder
arrow right