Ook op internationaal gebied verandert er vanaf 2027 het nodige. Nieuwe regels raken onder meer buitenlandse aandeelhouders, werknemers met aandelenopties, valutahedges en internationale beleggingsstructuren. Daarnaast worden de regels rondom de wereldwijde minimumbelasting verder aangepast. In dit overzicht zetten we de belangrijkste wijzigingen voor internationaal opererende ondernemingen en hun aandeelhouders en werknemers op een rij.
Verplaatst de werkelijke leiding van een buitenlandse vennootschap naar Nederland? Dan kan voor een in het buitenland wonende aandeelhouder met een belang van 5% of meer een Nederlandse buitenlandse belastingplicht in box 2 ontstaan. Vanaf 1 januari 2027 wordt de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer op het moment waarop deze belastingplicht ontstaat. Hierdoor telt in beginsel alleen de waardestijging of waardedaling na de zetelverplaatsing mee voor het Nederlandse box 2-inkomen.
De regeling voorkomt ook dat een latent verlies dat vóór de zetelverplaatsing is ontstaan, naar Nederland wordt geïmporteerd. Een toepasselijk belastingverdrag kan het Nederlandse heffingsrecht overigens beperken.
De hoofdregel geldt niet als de aandeelhouder voor hetzelfde aanmerkelijk belang al eerder buitenlands belastingplichtig is geweest in Nederland. Voor deze situaties worden nadere regels vastgesteld.
Laat vóór de zetelverplaatsing de Nederlandse en buitenlandse belastinggevolgen beoordelen. Leg de waarde van de aandelen op het moment van de zetelverplaatsing vast met een goed onderbouwde waardering en controleer of eerder Nederlandse belastingplicht of een conserverende aanslag heeft bestaan.
Het wetsvoorstel fiscale stimulering start-ups en scale-ups introduceert nieuwe regels voor werknemersopties. De belastingheffing verschuift naar het moment waarop de werknemer de aandelen verkoopt. Daarbij is 35% van het voordeel vrijgesteld. De werkgever belast daardoor slechts 65% van het voordeel als loon.
Voor internationale werknemers gelden aparte regels bij immigratie en emigratie. Bij immigratie geldt de waarde in het economisch verkeer op de immigratiedatum als uitoefenprijs. Daardoor valt alleen de Nederlandse waardegroei onder de belastingheffing. Bij emigratie legt de Belastingdienst een conserverende aanslag op, zodat de Nederlandse belastingclaim behouden blijft.
Onder voorwaarden geldt de regeling ook voor opties die op of na 17 april 2025 zijn toegekend en op 31 december 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken.
Controleer bestaande optieplannen voor opties die vanaf 17 april 2025 zijn toegekend. Neem aandelenopties standaard mee in immigratie- en emigratietrajecten van werknemers.
Bij de verkoop van aandelen die een werknemer of oud-werknemer via een aandelenoptierecht heeft verkregen, is extra aandacht nodig. Voorafgaand aan de verkoop moet zowel de inhoudingsplichtige als de koper schriftelijk toestemming geven.
Je blijft als werkgever inhoudingsplichtig voor de loonheffing, ook als de werknemer al uit dienst is of in het buitenland verblijft. Bij internationaal mobiele werknemers kan dit leiden tot complexe administratieve verplichtingen. Daardoor kan de regeling ook jaren na uitdiensttreding nog gevolgen voor je hebben.
Volgens de Belastingdienst brengt deze systematiek een uitvoeringsrisico met zich mee, omdat verkoopinformatie na uitdiensttreding mogelijk moeilijker beschikbaar is.
Neem uitgebreide meld-, informatie- en medewerkingsverplichtingen op in optieovereenkomsten, zodat verkoopinformatie ook na uitdiensttreding beschikbaar blijft.
Beleg je via een buitenlandse beleggingsinstelling die Nederlands dividend ontvangt? Dan kan op dat dividend Nederlandse dividendbelasting zijn ingehouden. Deze belasting kan uiteindelijk economisch op je drukken als achterliggende Nederlandse belegger.
Per 1 januari 2027 introduceert het kabinet een teruggaafregeling. Onder voorwaarden krijg je een deel van de Nederlandse dividendbelasting terug die bij de buitenlandse beleggingsinstelling is ingehouden. Daarmee voorkomt het kabinet dat je via een buitenlandse beleggingsinstelling zwaarder wordt belast dan via een Nederlandse fiscale beleggingsinstelling.
Voor de teruggaaf moet je aannemelijk maken welk deel van de ingehouden Nederlandse dividendbelasting economisch aan je toekomt. Hiervoor heb je informatie nodig van de buitenlandse beleggingsinstelling en mogelijk ook van andere partijen in de beleggingsketen. Daardoor kan de regeling leiden tot een aanzienlijke bewijs- en administratielast. In de consultatie is daarom aandacht gevraagd voor de praktische uitvoerbaarheid.
Beleg je via een buitenlandse beleggingsinstelling? Bewaar dan fondsrapportages, dividendoverzichten en andere documentatie. Uit deze stukken moet blijken hoeveel Nederlands dividend het fonds heeft ontvangen, hoeveel Nederlandse dividendbelasting daarop is ingehouden en welk deel daarvan economisch aan je kan worden toegerekend.
Internationaal opererende ondernemingen schermen valutarisico’s op buitenlandse deelnemingen regelmatig af met leningen of valutatermijncontracten. Vanaf boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2027 verandert de fiscale behandeling van deze afdekkingsinstrumenten. De deelnemingsvrijstelling geldt voortaan alleen voor het niet‑ingeprijsde valutaresultaat. Het ingeprijsde valutaresultaat blijft belast.
Daarnaast gelden nieuwe regels voor sfeerovergangen, waardering tegen waarde in het economisch verkeer en verzoeken om toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Voor bestaande instrumenten geldt overgangsrecht. Daarbij vormt 15 september 2026 een belangrijke peildatum.
Inventariseer vóór 31 december 2026 alle bestaande valutahedges, documenteer de marktwaarden en beoordeel op tijd of je een verzoek of beschikking nodig hebt.
Een houdstercoöperatie houdt mogelijk dividendbelasting in over uitkeringen aan haar leden. Daarbij telt niet alleen het belang van één lid mee. Ook de belangen van leden die gezamenlijk optreden, tellen mee.
De Fiscale verzamelwet 2027 verduidelijkt wanneer leden samen een groep vormen. Daarvoor is niet vereist dat alle leden afzonderlijk met elkaar verbonden zijn. Feitelijke samenwerking tussen leden kan al voldoende zijn om hun belangen gezamenlijk te beoordelen.
Grote internationale concerns betalen mogelijk aanvullende belasting als een land hun winst te laag belast. Zo betalen deze concerns wereldwijd minimaal een bepaald bedrag aan belasting.
De Nederlandse vennootschapsbelasting houdt hier nog niet in alle situaties rekening mee. Daardoor kan dezelfde winst dubbel worden belast. De Fiscale verzamelwet 2027 regelt dat aanvullende belasting die in een ander land is betaald, meetelt bij twee Nederlandse regelingen. Dit voorkomt dubbele belasting. Het gaat om de verrekening bij bepaalde buitenlandse deelnemingen en buitenlandse ondernemingswinsten.
Pijler 2 regelt een wereldwijde minimumbelasting voor internationale groepen met een omzet van ten minste € 750 miljoen. Vanaf 2027 neemt Nederland internationale veiligehavenregels op in de Wet minimumbelasting 2024. Deze regels vereenvoudigen de berekening en helpen dubbele heffing voorkomen. Voor het reguliere mkb heeft deze maatregel doorgaans geen gevolgen. Maakt je onderneming deel uit van een groep met een omzet van ten minste € 750 miljoen? Beoordeel dan welke veiligehavenregel voor jouw situatie geldt.